JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1588Laag8/100

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk via art. 80a RO

ECLI:NL:HR:2026:1588, Hoge Raad, 02-10-2026, 25/00369

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 1 oktober 2026
Zaaknummer:25/00369
Bestuursprocesrecht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
Cassatie
Niet Ontvankelijk
Artikel 80a Ro
Griffierecht
Proceseconomie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.

Kern van de zaak

Een partij stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2024 (nr. 23/122). De inhoud van het onderliggende geschil is uit de uitspraak niet kenbaar. Het griffierecht voor het cassatieberoep bleef onbetaald, mogelijk wegens betalingsonmacht.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep klaarblijkelijk niet kon slagen. De vraag of het onbetaald laten van het griffierecht verschoonbaar was wegens betalingsonmacht, liet de Hoge Raad om proceseconomische redenen uitdrukkelijk in het midden.

8van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige niet-ontvankelijkverklaring ex artikel 80a RO zonder inhoudelijke motivering of rechtsontwikkeling; de feitelijke achtergrond van het geschil is onbekend, wat verdere impactbeoordeling onmogelijk maakt.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van artikel 80a RO: cassatieberoep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk verklaard wegens klaarblijkelijke ongegrondheid
  • 2De inhoud van het onderliggende fiscale of civiele geschil blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak
  • 3Het griffierecht werd niet betaald; mogelijke betalingsonmacht liet de Hoge Raad proceseconomisch in het midden
  • 4Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
  • 5De uitspraak bevat een verwijzing naar ECLI:NL:GHAMS:2024:3593 als de bestreden hofuitspraak

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak betreft een standaardtoepassing van de 80a RO-procedure en schept geen nieuw recht; zij bevestigt de praktijk dat klaarblijkelijk kansloze cassatieberoepen zonder inhoudelijke motivering worden afgedaan. De onzekerheid over het rechtsgebied en de inhoudelijke gronden beperkt de mogelijkheid tot verdere juridische duiding.

Praktische impact

De casserende partij krijgt geen inhoudelijk oordeel van de Hoge Raad en de hofuitspraak van 19 december 2024 staat daarmee onherroepelijk vast. Er worden geen proceskosten in rekening gebracht bij de wederpartij.

Onderwerp-impact

Zonder kennis van het onderliggende geschil is de sector- of onderwerp-specifieke impact niet vast te stellen; de uitspraak heeft primair betekenis als procesrechtelijke afdoening.

Samenvatting

Op 2 oktober 2026 deed de Hoge Raad uitspraak in een cassatieprocedure gericht tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2024 (ECLI:NL:GHAMS:2024:3593). De inhoud van het onderliggende geschil – de partijen, de rechtsvraag en het rechtsgebied – blijkt niet uit de gepubliceerde uitspraak, zodat op dat punt onzekerheid bestaat. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en concludeerde dat dit klaarblijkelijk niet kon slagen. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie maakte de Hoge Raad gebruik van de bevoegdheid het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Deze procedure is bedoeld om de Hoge Raad te ontlasten van cassatieberoepen die evident geen kans van slagen hebben, zonder dat een uitgebreide inhoudelijke behandeling noodzakelijk is. Een bijzonder processueel aspect betrof het onbetaald blijven van het griffierecht. De casserende partij stelde mogelijk betalingsonmacht als grond voor verschoning aan. De Hoge Raad koos er om proceseconomische redenen voor deze vraag in het midden te laten: nu het beroep reeds op inhoudelijke gronden niet-ontvankelijk werd verklaard, was een oordeel over de griffierechtproblematiek niet meer noodzakelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De hofuitspraak van december 2024 staat hiermee onherroepelijk vast. De uitspraak is gewezen door vice-president Van Hilten en raadsheren Punt en Fierstra. De juridische betekenis van dit arrest is beperkt: het betreft een standaardtoepassing van de 80a RO-filterprocedure en schept geen nieuw recht. De lage impactscore weerspiegelt zowel het routinematige karakter van de afdoening als het ontbreken van inzicht in de inhoudelijke rechtsvraag.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursprocesrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
ECLI:NL:HR:2026:1582

Hoge Raad verwerpt bpm-bezwaar over rechtsbijstandvergoeding en immateriële schade

38/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen