JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1582Middel38/100

Hoge Raad verwerpt bpm-bezwaar over rechtsbijstandvergoeding en immateriële schade

ECLI:NL:HR:2026:1582, Hoge Raad, 02-10-2026, 25/02242

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 1 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:25/02242

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Belasting van personenauto’s en motorrijwielen. Fomeel recht. Unierecht. Diverse klachten over schending van Unierecht. Geen reden voor stellen van prejudiciële vragen aan Hof van Justitie.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige had bpm voldaan voor drie gebruikte personenauto's uit een andere EU-lidstaat en ontving gedeeltelijke teruggaaf omdat registratie later dan vijf werkdagen plaatsvond. Hij maakte vervolgens aanspraak op vergoeding van kosten van beroepsmatige rechtsbijstand in de bezwaarfase en een hogere vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verwerpt de cassatiemiddelen zonder nadere motivering. Het oordeel dat het Unierecht niet verplicht tot vergoeding van bezwaarkosten bij elke bpm-teruggaaf en dat de beperking in artikel 7:15 lid 2 Awb (eis van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid) niet in strijd is met het Unierecht, wordt in stand gelaten. De vergoeding van immateriële schade van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn met bijna drie maanden wordt eveneens bevestigd.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de toepassing van artikel 81 RO wijst op een niet-richtinggevend karakter, maar heeft wel praktische betekenis voor de omvangrijke bpm-praktijk.

Belangrijkste punten

  • 1Teruggaaf van bpm wegens late registratie (meer dan vijf werkdagen) leidt niet automatisch tot recht op vergoeding van bezwaarkosten ex artikel 7:15 lid 2 Awb.
  • 2Het Unierecht verplicht niet tot vergoeding van kosten van beroepsmatige rechtsbijstand in bezwaar bij elke bpm-teruggaaf; de nationale voorwaarde van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid blijft geldig.
  • 3De Hoge Raad past artikel 81 RO toe en motiveert de verwerping van middel I niet nader.
  • 4De vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (bijna drie maanden) wordt conform de vaste uitgangspunten vastgesteld op € 500.
  • 5Het Hof had de grieven van belanghebbende tegen de schadevergoeding al verworpen; de Hoge Raad bevestigt dit oordeel.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt dat artikel 7:15 lid 2 Awb niet in strijd is met het Unierecht voor zover het de vergoeding van bezwaarkosten afhankelijk stelt van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, ook in bpm-zaken. De vaste lijn inzake vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding wordt ongewijzigd voortgezet.

Praktische impact

Importeurs en belastingplichtigen die bpm-teruggaaf ontvangen louter vanwege late kentekenregistratie, kunnen geen bezwaarkosten vergoed krijgen tenzij sprake is van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Een vergoeding van immateriële schade bij termijnoverschrijding blijft beperkt tot de vaste bedragen uit de Hoge Raad-uitgangspunten.

Onderwerp-impact

In bpm-zaken rondom geïmporteerde gebruikte voertuigen wordt de drempel voor kostenvergoeding in bezwaar niet verlaagd; de uitspraak biedt geen aanknopingspunt voor een ruimere vergoedingsaanspraak op basis van Unierechtelijke beginselen.

Samenvatting

In deze zaak had een belastingplichtige bpm voldaan voor drie vanuit een andere EU-lidstaat geïmporteerde gebruikte personenauto's. Omdat de feitelijke registratie in het Nederlandse kentekenregister telkens later plaatsvond dan de door hem aangehouden vijf werkdagen na aangifte, verleende de Inspecteur gedeeltelijke teruggaaf. De belastingplichtige verzocht vervolgens om vergoeding van de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand die hij in de bezwaarfase had gemaakt, en stelde dat het Unierecht ertoe verplicht om in alle gevallen van bpm-teruggaaf bij uitspraak op bezwaar ook die kosten te vergoeden. Tevens maakte hij bezwaar tegen de door de rechtbank vastgestelde vergoeding van immateriële schade van € 500 wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn met bijna drie maanden. De centrale juridische vragen waren: (1) Is de voorwaarde in artikel 7:15 lid 2 Awb — dat het bestreden besluit moet zijn herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid — in strijd met het Unierecht? En (2) Is de vergoeding van immateriële schade van € 500 terecht vastgesteld? De Hoge Raad verwerpt beide cassatiemiddelen. Ten aanzien van de bezwaarkosten overweegt de Hoge Raad dat het Unierecht niet verplicht tot vergoeding van bezwaarkosten in alle gevallen waarin bpm-teruggaaf wordt verleend. De nationale voorwaarde van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid blijft daarmee overeind. Dit middel wordt zonder nadere motivering verworpen op grond van artikel 81 RO. Ten aanzien van de immateriële schade bevestigt de Hoge Raad het oordeel van het hof: de rechtbank heeft de vergoeding op € 500 mogen vaststellen in overeenstemming met de vaste uitgangspunten voor termijnoverschrijdingen. De uitspraak consolideert daarmee de bestaande rechtslijn en biedt importeurs geen ruimere aanspraken op kostenvergoeding of schadevergoeding dan reeds erkend.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1601

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied