JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1483Hoog58/100

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

ECLI:NL:HR:2026:1483, Hoge Raad, 02-10-2026, 25/02367

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 16 september 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:25/02367
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Vergunningen
Niet Ontvankelijkheid
Machtiging
Belastingprocedure
Artikel 47 Handvest
Procedurele Autonomie

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Belasting van personenauto's en motorrijwielen; procesrecht; artt. 6:6 en 8:24 Awb; artt. 47 en 52 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; vertegenwoordiging in een beroepszaak; schriftelijk bewijs van machtiging; beroep niet bevoegdelijk ingesteld; het staat de rechter vrij geen acht te slaan op een machtiging die pas na afloop van een daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn is overgelegd; niet-ontvankelijk verklaren wegens het ontbreken van bewijs van machtiging is niet in strijd met Unierecht.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige ging in hoger beroep maar diende een niet-recente machtiging in ter onderbouwing van de vertegenwoordigingsbevoegdheid. Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat een recente machtiging pas na het verstrijken van de gestelde hersteltermijn werd overgelegd. Belanghebbende betoogde dat dit in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest (recht op effectieve toegang tot de rechter).

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verwerpt het middel en bevestigt dat het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep toelaatbaar is. De doorslaggevende reden is dat procesregels over machtigingen en termijnen tot de procedurele autonomie van lidstaten behoren en niet in strijd zijn met artikel 47 van het Handvest, nu geen verschoonbare reden bestond voor het te laat indienen van de recente machtiging.

58van 100

Impactscore

Hoog

De Hoge Raad geeft als hoogste rechter een duidelijk kader over de verhouding tussen nationale procesautonomie en artikel 47 EU-Handvest in belastingprocedures, wat richtsnoer biedt voor lagere rechters in vergelijkbare ontvankelijkheidsvraagstukken.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 47 EU-Handvest (recht op effectieve rechterlijke bescherming) vereist niet dat rechters afzien van procesrechtelijke ontvankelijkheidseisen zoals het tijdig overleggen van een recente machtiging.
  • 2De inrichting van nationale procedureregels valt onder de procedurele autonomie van lidstaten, tenzij het Unierecht specifieke voorschriften bevat.
  • 3Een niet-advocaat die namens een ander procedeert moet tijdig een geldige (recente) machtiging overleggen; te laat reageren op een hersteltermijn leidt tot niet-ontvankelijkheid.
  • 4Het ontbreken van een verschoonbare reden voor het te laat indienen van de recente machtiging is doorslaggevend voor de niet-ontvankelijkheid.
  • 5Het Unierecht bevat geen algemene regeling over ontvankelijkheidseisen in nationale beroepsprocedures; er bestond geen verplichting voor het Hof om prejudiciële vragen te stellen.

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt dat nationale procesregels over machtigingen en termijnen in overeenstemming zijn met het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en artikel 47 Handvest, mits zij niet onredelijk bezwarend zijn en er geen verschoonbare reden voor te late indiening bestaat. Dit legt een duidelijke grens bij het beroepen op Unierechtelijke waarborgen om nationale procesrechtelijke eisen te omzeilen.

Praktische impact

Niet-advocaten die namens anderen procederen in belastingzaken moeten tijdig een recente, geldige machtiging overleggen en adequaat reageren op hersteltermijnen; het missen van deze termijn zonder verschoonbare grond leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.

Onderwerp-impact

Voor belastingplichtigen en hun vertegenwoordigers benadrukt deze uitspraak het belang van strikte naleving van procesrechtelijke formaliteiten in fiscale procedures, ook wanneer men een beroep doet op Europese grondrechten.

Samenvatting

In deze zaak stond centraal of een belastingrechter (het Hof) het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard omdat de gemachtigde — een niet-advocaat — weliswaar een machtiging had overgelegd, maar geen recente machtiging, en deze pas na het verstrijken van de door de rechter gestelde hersteltermijn indiende. Belanghebbende betoogde dat deze handelwijze in strijd was met het in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Tevens werd aangevoerd dat de nationale eis van een schriftelijke machtiging voor 'niet-advocaten' geen grondslag kent in het Unierecht, en dat het Hof verplicht was prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. De Hoge Raad verwerpt deze stellingen. Centraal in de redenering staat de procedurele autonomie van lidstaten: bij het ontbreken van specifieke Unierechtelijke voorschriften mogen lidstaten zelf procesregels vaststellen voor administratieve en gerechtelijke procedures, ook wanneer het geschil Unierechtelijke rechten betreft. Deze nationale procesregels moeten wel voldoen aan de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. De eis dat een vertegenwoordiger tijdig een recente machtiging overlegt, en de sanctie van niet-ontvankelijkheid bij het uitblijven daarvan zonder verschoonbare reden, vormen een gerechtvaardigde beperking die niet in strijd komt met artikel 47 van het Handvest. De Hoge Raad bevestigt uitdrukkelijk dat de nationale rechter niet inhoudelijk hoeft in te gaan op een beroep wanneer de gemachtigde de hersteltermijn laat verstrijken en daarvoor geen verschoonbare reden bestaat. Nu het Unierecht geen algemene regeling bevat over dergelijke ontvankelijkheidseisen, bestond er evenmin een verplichting voor het Hof om prejudiciële vragen te stellen. De uitspraak biedt een heldere bevestiging dat nationale procesrechtelijke discipline ook in Unierechtelijke belastingzaken onverkort geldt.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1601

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

18/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1606

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied