Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1606, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01126
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het verschuldigde griffierecht werd niet voldaan. Belanghebbende betoogde dat voorafgaande betaling van griffierecht in strijd is met het EU-Handvest en verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet tijdig is betaald. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, onder verwijzing naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin dit verweer reeds werd verworpen.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een standaard niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van griffierecht en voegt inhoudelijk niets nieuws toe; de Hoge Raad verwijst uitdrukkelijk naar een eerder arrest van juni 2026 dat al de fundamentele lijn had uitgezet.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende kennisgeving.
- 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtplicht strijdig is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest (toegang tot de rechter).
- 3De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor de verwerping van dit verweer.
- 4Geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt zijn lijn uit het arrest van 12 juni 2026 dat de Nederlandse regeling van voorafgaand griffierecht niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat hierover geen prejudiciële vragen hoeven te worden gesteld. Dit consolideert bestaande rechtspraak over de ontvankelijkheidseis bij griffierecht in cassatie.
Praktische impact
Belastingplichtigen die cassatie instellen moeten het griffierecht tijdig voldoen op straffe van niet-ontvankelijkheid; het EU-Handvest-argument over achteraf heffen bij ongegrond beroep biedt geen soelaas meer na dit herhaalde oordeel.
Onderwerp-impact
Voor belastingplichtige burgers en hun adviseurs is bevestigd dat tijdige betaling van griffierecht een harde ontvankelijkheidsdrempel blijft; argumenten gebaseerd op EU-grondrechtelijke evenredigheid worden door de Hoge Raad stelselmatig verworpen.
Samenvatting
In deze procedure had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (BRE 24/5359 t/m 24/5361). De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende per aangetekende brief van 8 mei 2026 op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Hoewel de brief aantoonbaar was afgeleverd, bleef betaling uit. Op 23 juni 2026 werd belanghebbende via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te verklaren waarom het griffierecht niet was voldaan. In reactie daarop voerde belanghebbende aan dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest van de grondrechten, gelezen in samenhang met artikel 52. Belanghebbende stelde dat heffing achteraf — uitsluitend bij ongegrond beroep — een veel evenrediger alternatief zou zijn dan de thans in artikel 8:41 Awb voorgeschreven wijze. Op die grond verzocht hij de Hoge Raad prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Hoge Raad verwerpt dit betoog en ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Daarbij verwijst de Hoge Raad expliciet naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dit verweer reeds uitvoerig is beoordeeld en verworpen. Nu het griffierecht niet is voldaan, wordt het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Een proceskostenveroordeling blijft achterwege. De uitspraak onderstreept dat de Hoge Raad zijn in juni 2026 ingezette lijn over de verenigbaarheid van voorafgaand griffierecht met het EU-Handvest consequent doortrekt en herhaling van dit verweer niet tot een andere uitkomst leidt.