Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1603, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01123
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Hij weigerde het verschuldigde griffierecht te betalen en betoogde dat voorafgaande griffierechtbetaling op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb, omdat het griffierecht niet tijdig is voldaan. Het argument dat het griffierechtstelsel in strijd is met het EU-Handvest wordt verworpen onder verwijzing naar HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915, en de Hoge Raad ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU.
Impactscore
LaagHet arrest is een routinematige toepassing van een reeds door de Hoge Raad in juni 2026 uitgezette lijn en bevat geen nieuwe rechtsregel; de waarde is bevestigend van aard en de zaak betreft uitsluitend de ontvankelijkheidsfase.
Belangrijkste punten
- 1Niet-betaling van griffierecht binnen de gestelde termijn leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid op grond van art. 8:41 lid 6 Awb.
- 2Het betoog dat voorafgaande griffierechtbetaling in strijd is met art. 47 EU-Handvest jo. art. 52 EU-Handvest wordt verworpen.
- 3De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU over de verenigbaarheid van het griffierechtenstelsel met het EU-recht.
- 4De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor de motivering van dit standpunt.
- 5Er is geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt de staande lijn van de Hoge Raad dat het Nederlandse griffierechtenstelsel niet in strijd is met het EU-Handvest en dat er geen verplichting bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen hierover; het versterkt de rechtskracht van HR 12 juni 2026. De drempel voor toegang tot de cassatierechter blijft ongewijzigd.
Praktische impact
Belastingplichtigen die in cassatie willen gaan, moeten het griffierecht tijdig voldoen; het nalaten hiervan leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ongeacht de inhoudelijke argumenten over EU-rechtelijke bezwaren tegen het griffierechtenstelsel.
Onderwerp-impact
Voor de overheidspraktijk bevestigt dit arrest dat het bestaande griffierechtensysteem in belastingzaken overeind blijft en dat procederende burgers dit financiële drempel niet via een EU-Handvestberoep kunnen omzeilen.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees hem bij aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Het griffierecht bleef onbetaald. Toen de belanghebbende de gelegenheid kreeg te verklaren waarom hij niet had betaald, voerde hij aan dat de verplichting griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met artikel 52. Naar zijn mening zou het HvJ EU, indien hierover bevraagd, oordelen dat griffierecht pas achteraf mag worden geheven bij een ongegrond beroep, omdat dat een evenrediger methode is. Hij verzocht de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De centrale juridische vraag was of de wettelijke plicht tot voorafgaande betaling van griffierecht verenigbaar is met het EU-recht, en of de Hoge Raad gehouden is prejudiciële vragen te stellen. De Hoge Raad beantwoordt beide vragen ontkennend. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) oordeelt de Hoge Raad dat het griffierechtenstelsel de toets aan het EU-Handvest doorstaat en dat er geen aanleiding bestaat voor het stellen van prejudiciële vragen. Nu het griffierecht niet is voldaan, wordt het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk verklaard. Dit arrest is een directe toepassing van recente jurisprudentie en voegt geen nieuwe rechtsvragen toe, maar bevestigt dat inhoudelijke EU-rechtelijke bezwaren tegen het griffierechtenstelsel de betalingsverplichting niet opschorten.