Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden
ECLI:NL:HR:2026:1608, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01130
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. Het beroepschrift bevatte echter geen gronden, zoals vereist door artikel 6:5 lid 1 letter d Awb. De griffier bood de mogelijkheid dit verzuim te herstellen, maar belanghebbende reageerde niet.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 Awb, omdat belanghebbende heeft nagelaten het verzuim – het ontbreken van cassatiegronden – tijdig te herstellen binnen de geboden termijn van zes weken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak bevat geen nieuwe rechtsregels en is volledig procedureel van aard. Het betreft een standaardtoepassing van niet-ontvankelijkheidssanctie bij verzuimherstel, zonder inhoudelijke beoordeling van het onderliggende geschil.
Belangrijkste punten
- 1Het beroepschrift in cassatie bevatte geen gronden, in strijd met artikel 6:5 lid 1 letter d Awb
- 2De griffier heeft op 8 april 2026 via het webportaal en e-mail een herstelmogelijkheid geboden met een termijn tot 20 mei 2026
- 3Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt aangenomen dat belanghebbende de kennisgeving op 8 april 2026 heeft ontvangen
- 4Belanghebbende heeft het verzuim niet hersteld binnen de gestelde termijn
- 5Niet-ontvankelijkverklaring volgt uit artikel 6:6 Awb; geen proceskostenveroordeling
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de vaste lijn dat het ontbreken van cassatiegronden een fataal verzuim is dat bij gebreke van herstel leidt tot niet-ontvankelijkheid. De uitspraak heeft geen nieuwe rechtsvormende waarde, maar illustreert de strikte toepassing van de formele eisen bij digitaal procederen.
Praktische impact
Belanghebbende verliest de mogelijkheid om de uitspraak van de rechtbank in cassatie te laten toetsen. Voor rechtzoekenden die digitaal procederen geldt een waarschuwing: het niet tijdig aanvullen van een beroepschrift met gronden heeft onomkeerbare gevolgen.
Onderwerp-impact
In belastingrechtelijke geschillen benadrukt deze uitspraak het belang van correcte en volledige indiening van cassatieberoepschriften via het digitale portaal van de Hoge Raad.
Samenvatting
In deze zaak had een belanghebbende beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026 (zaaknummer BRE 24/5507). Het via het webportaal ingediende beroepschrift bevatte echter geen cassatiegronden, terwijl artikel 6:5 lid 1 letter d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit uitdrukkelijk vereist. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende op 8 april 2026 in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door een bericht te plaatsen in het digitale dossier en een kennisgeving te sturen naar het opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht op 8 april 2026 heeft ontvangen. De hersteltermijn liep tot en met 20 mei 2026. Belanghebbende heeft binnen deze termijn geen aanvulling ingediend en het verzuim dus niet hersteld. De centrale juridische vraag was of het beroep in cassatie ondanks dit vormverzuim ontvankelijk kon worden verklaard. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 6:6 Awb, dat bepaalt dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien de indiener nalaat een geboden verzuimherstelgelegenheid te benutten. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is procedureel van aard en bevat geen inhoudelijk oordeel over het onderliggende belastinggeschil. Zij onderstreept het belang van zorgvuldig en volledig indienen van processtukken bij digitaal procederen bij de Hoge Raad.