JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1601Laag18/100

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

ECLI:NL:HR:2026:1601, Hoge Raad, 02-10-2026, 26/01121

Hoge RaadUitspraak: 2 oktober 2026Publicatie: 2 oktober 2026
Procedure:Cassatie
Zaaknummer:26/01121
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Europees bestuursrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Niet Ontvankelijkheid
Cassatie
Prejudiciele Vragen
Griffierecht
Eu Handvest

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR verklaart het beroep in cassatie n-o.

Kern van de zaak

Een belastingplichtige (belanghebbende) ging in cassatie bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Na herinnering voldeed hij het griffierecht niet, met als argument dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met het EU-Handvest.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb wegens het niet betalen van griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, omdat dit reeds is beoordeeld in HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.

18van 100

Impactscore

Laag

Het arrest is een routinematige niet-ontvankelijkverklaring die voortbouwt op een reeds gewezen arrest van de Hoge Raad; het stelt geen nieuwe rechtsregels en heeft slechts bevestigende betekenis.

Belangrijkste punten

  • 1Griffierecht niet betaald na aangetekende brief en extra herstelmogelijkheid via digitaal dossier
  • 2Belanghebbende betoogt dat vooraf heffen van griffierecht in strijd is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest
  • 3Hoge Raad verwijst naar eigen arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) voor afwijzing prejudiciële verwijzing
  • 4Geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU
  • 5Niet-ontvankelijkverklaring zonder proceskostenveroordeling

Impactanalyse

Juridische impact

De Hoge Raad bevestigt de lijn uit HR 12 juni 2026 dat vooraf heffen van griffierecht niet in strijd is met het EU-Handvest en dat geen prejudiciële verwijzing naar het HvJ EU noodzakelijk is. Dit arrest heeft beperkte zelfstandige rechtsontwikkelende waarde nu het voortbouwt op een eerder richtinggevend arrest.

Praktische impact

Belastingplichtigen die cassatieberoep instellen moeten tijdig griffierecht betalen; het niet-betalen leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid, ook als zij principiële bezwaren aanvoeren tegen het griffierechtenstelsel.

Onderwerp-impact

Voor belastingzaken bij de Hoge Raad verduidelijkt dit arrest dat het EU-grondrechtelijke argument tegen vooraf heffen van griffierecht definitief is verworpen, waarmee een potentiële uitwijkroute voor belastingplichtige procespartijen is afgesloten.

Samenvatting

In deze zaak ging een belastingplichtige in cassatie bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 februari 2026. De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende bij aangetekende brief van 7 mei 2026 op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde daarvoor een termijn van vier weken. Nadat het griffierecht uitbleef, werd belanghebbende op 5 juni 2026 via het digitale dossier in de gelegenheid gesteld te reageren. Belanghebbende deed dit op 11 juni 2026 en voerde aan dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid in strijd is met artikel 47 in samenhang met artikel 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hij stelde dat een evenrediger stelsel zou zijn griffierecht alleen achteraf te heffen bij een ongegrond beroep, en dat de Hoge Raad hierover verplicht is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad verwierp dit betoog en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Voor de afwijzing van het verzoek om prejudiciële verwijzing verwees de Hoge Raad uitdrukkelijk naar rechtsoverwegingen 3.1.3 tot en met 3.4 van zijn arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin deze materie reeds uitvoerig is beoordeeld. Een veroordeling in de proceskosten bleef achterwege. Het arrest heeft beperkte zelfstandige betekenis: het is een bevestiging van reeds vastgesteld beleid en jurisprudentie over de verenigbaarheid van het Nederlandse griffierechtenstelsel met het EU-Handvest. Voor de rechtspraktijk onderstreept de uitspraak dat procespartijen ongeacht principiële bezwaren gehouden zijn griffierecht tijdig te voldoen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 2 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1608

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende cassatiegronden

12/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:HR:2026:1603

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

22/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1483

Hoge Raad: niet-recente machtiging leidt terecht tot niet-ontvankelijkheid

58/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
ECLI:NL:HR:2026:1606

Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied