Hoge Raad: voorzienbaarheid geen zelfstandig vereiste bij ankerbevoegdheid
ECLI:NL:HR:2026:1552, Hoge Raad, 25-09-2026, 24/04589
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Collectieve actie. Internationaal privaatrecht, bevoegdheid (art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis en art. 7 lid 1 Rv). Zelfstandig vereiste van voorzienbaarheid? Overgangsrecht Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (art. 3:305a (oud en nieuw) BW en titel 14A van Boek 3 Rv).
Kern van de zaak
Consumenten of eisers dagvaardden meerdere autofabrikanten (waaronder Stellantis Europe, Alfa Romeo en FCA US) voor de Nederlandse rechter. De autofabrikanten betwistten de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, waarbij de vraag centraal stond of voorzienbaarheid van dagvaarding in Nederland een zelfstandig vereiste is voor de zogenoemde ankerbevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Brussel I-bis.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart onderdeel 1.1 van het middel gegrond: het hof heeft ten onrechte voorzienbaarheid als zelfstandig vereiste gehanteerd bij de beoordeling van internationale bevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Brussel I-bis. Doorslaggevend is het oordeel van het HvJEU dat voorzienbaarheid slechts een algemeen beginsel is dat meespeelt bij de beoordeling van de 'zo nauwe band', en geen op zichzelf staand criterium vormt.
Impactscore
RichtinggevendDe Hoge Raad stelt in navolging van het HvJEU een bindende en duidelijke rechtsregel over de ankerbevoegdheid die rechtstreeks doorwerkt in alle toekomstige internationale meerverweerderszaken voor Nederlandse rechters, inclusief buiten EU-verband via art. 7 lid 1 Rv.
Belangrijkste punten
- 1Voorzienbaarheid voor de medeverweerder om opgeroepen te worden voor het gerecht van de ankergedaagde is géén zelfstandig criterium onder art. 8, punt 1, Brussel I-bis.
- 2Voorzienbaarheid speelt wel een rol als algemeen beginsel bij de beoordeling of sprake is van een 'zo nauwe band' tussen de vorderingen.
- 3De Hoge Raad volgt expliciet het HvJEU-oordeel in de zaak Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain.
- 4Art. 7 lid 1 Rv (voor niet-EU-verweerder FCA US) wordt op overeenkomstige wijze uitgelegd als art. 8, punt 1, Brussel I-bis.
- 5Het hof had de bevoegdheid ten aanzien van de autofabrikanten niet mogen afwijzen louter op grond van gebrek aan voorzienbaarheid als zelfstandig vereiste; de zaak wordt terugverwezen.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt op gezag van de Hoge Raad – in lijn met het HvJEU – dat de ankerbevoegdheidsregel van art. 8, punt 1, Brussel I-bis niet mag worden beperkt door voorzienbaarheid als extra, zelfstandige drempel, wat de reikwijdte van de Nederlandse rechtsmacht in internationale meerverweerderszaken verruimt. Dezelfde uitleg geldt voor art. 7 lid 1 Rv, zodat de regel ook buiten de EU-context doorwerkt.
Praktische impact
Eisers die meerdere (buitenlandse) gedaagden voor de Nederlandse rechter willen brengen via de ankermethode, hoeven niet langer aan te tonen dat het voor de medeverweerders voorzienbaar was dat zij in Nederland gedagvaard zouden worden; voldoende is dat sprake is van een voldoende nauwe band tussen de vorderingen.
Onderwerp-impact
Voor de automobielsector en andere internationale productiezaken vergroot dit arrest de kans dat buitenlandse fabrikanten in Nederland mede-aansprakelijk worden gesteld via ankerbevoegdheid, wat de aantrekkelijkheid van Nederland als forumstaat voor massaschadeclaims versterkt.
Samenvatting
In deze zaak stond de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter centraal ten aanzien van meerdere autofabrikanten – Stellantis Europe, Alfa Romeo en het Amerikaanse FCA US – die door eisers gezamenlijk voor de Nederlandse rechter waren gedagvaard. Het hof had in zijn tussenarrest geoordeeld dat voor toepassing van de zogenoemde ankerbevoegdheid op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis vereist was dat het voor de medeverweerders (de buitenlandse autofabrikanten) voorzienbaar was dat zij voor een Nederlandse rechter zouden worden opgeroepen. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel op grond van onderdeel 1.1 van het cassatiemiddel. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat het HvJEU in de zaak Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain uitdrukkelijk heeft beslist dat voorzienbaarheid géén zelfstandig criterium vormt voor de bevoegdheidsbeoordeling onder art. 8, punt 1, Brussel I-bis. Voorzienbaarheid is slechts een algemeen beginsel dat in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of er een 'zo nauwe band' bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende verweerders. Het hof heeft dit miskend door voorzienbaarheid als een extra, op zichzelf staande drempel te hanteren. De Hoge Raad past dezelfde uitleg toe op art. 7 lid 1 Rv, dat de bevoegdheidsgrond regelt voor verweerders buiten de EU (zoals FCA US), nu beide bepalingen inhoudelijk overeenstemmen. De zaak wordt terugverwezen naar de feitenrechter voor verdere behandeling. Deze uitspraak heeft aanzienlijke richtinggevende betekenis: zij verduidelijkt voor de gehele Nederlandse rechtspraktijk – en sluit aan bij EU-rechtspraak – dat de ankerbevoegdheidsregel niet onnodig mag worden ingeperkt, waardoor Nederland in beginsel vaker als bevoegde rechter kan optreden in internationale zaken met meerdere verweerders uit verschillende landen.