Hoge Raad verklaart WOZ-cassatieberoep niet-ontvankelijk
ECLI:NL:HR:2026:1514, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/01231
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO.
Kern van de zaak
Een belanghebbende ging in cassatie bij de Hoge Raad tegen een hofuitspraak over een WOZ-beschikking voor het jaar 2022. De zaak betreft de waardering van een onroerende zaak op grond van de Wet waardering onroerende zaken. De eerdere instanties hadden de beschikking al beoordeeld.
Beslissing van de rechter
Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de klachten duidelijk niet konden slagen. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard toepassing van artikel 80a RO zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling of richtinggevende overwegingen; de zaak heeft uitsluitend betekenis voor de betrokken partij.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 80a RO: niet-ontvankelijkheid zonder verdere motivering bij kansloze cassatieklachten
- 2De zaak betreft een WOZ-beschikking voor belastingjaar 2022 op grond van de Wet waardering onroerende zaken
- 3De procureur-generaal heeft advies uitgebracht voorafgaand aan de beslissing
- 4Geen proceskostenveroordeling opgelegd door de Hoge Raad
- 5Inhoudelijke beoordeling van de klachten heeft plaatsgevonden, maar leidde tot oordeel van kennelijke niet-ontvankelijkheid
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van de 80a RO-procedure als filtermechanisme bij kansloze cassatieberoepen in belastingzaken, zonder dat de Hoge Raad inhoudelijke rechtsontwikkeling nastreeft. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
Voor de belanghebbende betekent dit dat de hofuitspraak over de WOZ-beschikking 2022 onherroepelijk is geworden. Een verdere aanvechting van de WOZ-waarde via de rechter is niet meer mogelijk.
Onderwerp-impact
In WOZ-gerelateerde geschillen bevestigt deze uitspraak dat de Hoge Raad gebruik blijft maken van de versnelde afdoeningsprocedure bij cassatieberoepen die op voorhand kansloos zijn, waardoor de instroom van feitelijk zwakke belastingzaken beperkt blijft.
Samenvatting
In deze belastingzaak heeft de Hoge Raad op 18 september 2026 geoordeeld over een beroep in cassatie dat was ingesteld tegen een hofuitspraak betreffende een WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2022. De beschikking was afgegeven op grond van de Wet waardering onroerende zaken en had betrekking op de vastgestelde waarde van een onroerende zaak. De centrale juridische vraag was of de cassatieklachten voldoende grond boden voor inhoudelijke behandeling door de Hoge Raad. Na beoordeling van de klachten en na kennisneming van het advies van de procureur-generaal, kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen. Op grond hiervan maakte de Hoge Raad gebruik van de mogelijkheid die artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie biedt: het beroep niet-ontvankelijk verklaren zonder verdere motivering. Deze procedure dient als filtermechanisme om de Hoge Raad te ontlasten van cassatieberoepen die op voorhand geen kans van slagen hebben en geen rechtsontwikkeling of rechtseenheid vragen. Door het niet-ontvankelijk verklaren blijft de hofuitspraak over de WOZ-beschikking in stand en wordt deze onherroepelijk. Een proceskostenveroordeling heeft de Hoge Raad achterwege gelaten. De uitspraak heeft geen verdere rechtsontwikkelende betekenis en is uitsluitend relevant voor de betrokken belanghebbende, wiens mogelijkheden om de WOZ-waarde voor 2022 juridisch aan te vechten hiermee definitief zijn uitgeput.