Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1525, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00414
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. De griffier wees belanghebbende per aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn. Ondanks herhaalde kennisgevingen bleef betaling en reactie uit.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende het griffierecht niet heeft voldaan en ook geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om uit te leggen waarom betaling uitbleef.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele niet-ontvankelijkheidsuitspraak zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling. De uitkomst is volledig conform vaste praktijk en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief van 13 maart 2026.
- 2De Hoge Raad heeft via het digitale dossier en e-mailkennisgeving op 14 april 2026 een herstelmogelijkheid geboden.
- 3Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt ontvangst van het digitale bericht geacht te hebben plaatsgevonden op de dag van plaatsing.
- 4Belanghebbende heeft noch betaald noch gereageerd op de gelegenheid tot toelichting.
- 5Geen proceskostenveroordeling opgelegd nu het slechts een niet-ontvankelijkheidsuitspraak betreft.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de griffierechtregeling en de digitale kennisgevingsregels uit de Awb (artt. 8:36c en 8:41). Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord; het betreft een standaard procedurele toepassing.
Praktische impact
Belanghebbende verliest de mogelijkheid om zijn zaak inhoudelijk door de Hoge Raad te laten beoordelen. Het arrest onderstreept het belang van tijdige betaling van griffierecht en actieve monitoring van het digitale procesdossier.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures benadrukt dit arrest dat ook in fiscale cassatiezaken het niet-betalen van griffierecht fatale processuele gevolgen heeft, ongeacht de inhoudelijke merites van het geschil.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 18 september 2026 uitspraak gedaan in een beroep in cassatie dat was ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. De procedure strandt echter volledig op een procedurele drempel: het niet-betalen van het verschuldigde griffierecht. Na de instelling van het cassatieberoep heeft de griffier van de Hoge Raad bij aangetekende brief van 13 maart 2026 — afgeleverd blijkens Track & Trace van PostNL — belanghebbende gewezen op de betalingsverplichting en een termijn van vier weken gesteld. Betaling bleef uit. Op 14 april 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale procesdossier van belanghebbende, met gelijktijdige e-mailkennisgeving naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb wordt dit bericht geacht te zijn ontvangen op de dag van plaatsing, 14 april 2026. Belanghebbende kreeg aldus de gelegenheid om toe te lichten waarom het griffierecht niet was betaald, maar maakte van deze mogelijkheid geen gebruik. De centrale rechtsvraag was dan ook niet inhoudelijk van aard, maar puur procedureel: kan het cassatieberoep ontvangen worden wanneer het griffierecht niet is betaald en de belanghebbende evenmin heeft gereageerd op een herstelmogelijkheid? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Hoge Raad geen aanleiding. De uitspraak is inhoudelijk weinig verrassend en bevestigt slechts de gevestigde praktijk rondom griffierechtbetaling en digitale kennisgeving in bestuursrechtelijke cassatieprocedures.