JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1485Laag18/100

Hoge Raad verklaart cassatie ongegrond, termijnoverschrijding geconstateerd

ECLI:NL:HR:2026:1485, Hoge Raad, 18-09-2026, 23/04183

Hoge RaadUitspraak: 18 september 2026Publicatie: 17 september 2026
Zaaknummer:23/04183
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Financiele Dienstverlening
Redelijke Termijn
Artikel 81 Ro
Cassatie
Nevenbeslissingen

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

HR: 81.1 RO

Kern van de zaak

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in op 26 oktober 2023 tegen een uitspraak van de Rechtbank. Daarnaast verzocht belanghebbende op 19 juli 2026 om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure.

Beslissing van de rechter

Het beroep in cassatie is ongegrond verklaard; de klachten konden niet leiden tot vernietiging van de uitspraak en behoefden geen motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO. Het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding werd afgewezen omdat het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt, waarbij werd volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past volledig binnen bestaande jurisprudentie (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853) en stelt geen nieuwe rechtsregels. Het betreft een routinematige toepassing van art. 81 RO en de bekende drempel voor immateriële schadevergoeding bij termijnoverschrijding.

Belangrijkste punten

  • 1Cassatieklachten verworpen op grond van artikel 81 lid 1 RO zonder nadere motivering.
  • 2Redelijke termijn in cassatieprocedure overschreden met meer dan zes maar niet meer dan twaalf maanden.
  • 3Geen financiële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding vanwege financieel belang onder € 1.000.
  • 4Procedure betreft uitsluitend nevenbeslissingen, die buiten beschouwing blijven bij vaststelling financieel belang.
  • 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat bij een financieel belang onder € 1.000 in cassatieprocedures wordt volstaan met constatering van termijnoverschrijding zonder toekenning van immateriële schadevergoeding. Nevenbeslissingen tellen daarbij niet mee voor de bepaling van het financiële belang.

Praktische impact

Belanghebbende ontvangt geen schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn en krijgt de proceskosten niet vergoed, ondanks de geconstateerde overschrijding van de cassatietermijn.

Onderwerp-impact

In belastingzaken met een zeer gering financieel belang biedt een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding praktisch geen soelaas; de drempel van € 1.000 fungeert als effectieve ondergrens.

Samenvatting

In deze belastingzaak heeft de Hoge Raad op 18 september 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die op 26 oktober 2023 aanhangig was gemaakt. Belanghebbende had cassatieklachten gericht tegen een uitspraak van de Rechtbank en verzocht daarnaast om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten op grond van artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit artikel machtigt de Hoge Raad om een beroep in cassatie zonder nadere motivering te verwerpen wanneer de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep in cassatie werd dan ook ongegrond verklaard. Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn in de cassatieprocedure inderdaad was overschreden — met meer dan zes maanden maar niet meer dan twaalf maanden. Desondanks zag de Hoge Raad geen aanleiding om daadwerkelijk een vergoeding toe te kennen. De doorslaggevende reden hiervoor is dat het financiële belang in de procedure minder dan € 1.000 bedraagt. De procedure draaide immers uitsluitend om nevenbeslissingen, die bij de vaststelling van het financiële belang buiten beschouwing moeten blijven. Overeenkomstig vaste jurisprudentie — onder meer HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853 — werd volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Een proceskostenveroordeling werd evenmin uitgesproken. Deze uitspraak past volledig in de bestaande rechtslijn en voegt geen nieuwe elementen toe aan het recht inzake redelijke termijn of cassatieprocedures in belastingzaken.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 18 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Belastingrecht

ECLI:NL:HR:2026:1511Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1511, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00946

Hoge Raad18 sep 2026OverheidDienstverlening
28/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1519Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1519, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00408

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1525Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1525, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00414

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
8/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1520Laag
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1520, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00409

Hoge Raad18 sep 2026OverheidFinanciele Dienstverlening
22/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied