Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1520, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/00409
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad maar weigerde het griffierecht te betalen. Hij betoogde dat voorafgaande betaling van griffierecht als ontvankelijkheidsvoorwaarde in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJEU.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens het niet voldoen van griffierecht. De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen, nu dit reeds is beslist in HR 12 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:915.
Impactscore
LaagHet arrest is inhoudelijk beperkt: het verwijst volledig naar HR 12 juni 2026 en bevat geen zelfstandige nieuwe rechtsregel. De uitkomst is procedureel van aard en betreft een individueel geval.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht was niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief
- 2Belanghebbende betoogde dat voorafgaande griffierechtbetaling strijdig is met artikel 47 jo. 52 EU-Handvest
- 3Hoge Raad verwijst naar eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915) waarin prejudiciële vragen al zijn afgewezen
- 4Geen aanleiding tot stellen van prejudiciële vragen aan HvJEU over evenredigheid griffierechtregeling
- 5Niet-ontvankelijkheid volgt dwingend uit artikel 8:41 lid 6 Awb
Impactanalyse
Juridische impact
Dit arrest bevestigt de lijn uit HR 12 juni 2026 dat de Nederlandse griffierechtregeling (vooraf betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid) niet in strijd is met artikel 47 EU-Handvest en dat geen prejudiciële vragen nodig zijn. Het heeft beperkte zelfstandige precedentwaarde nu het verwijst naar een eerder arrest.
Praktische impact
Belastingplichtigen die griffierecht niet betalen verliezen hun recht op cassatie, ook als zij principiële bezwaren aanvoeren tegen de griffierechtregeling zelf.
Onderwerp-impact
Voor belastingprocedures bevestigt dit arrest dat het griffierecht een harde drempeleis blijft en dat Europees-rechtelijke argumenten op dit punt in Nederland zijn uitgekristalliseerd.
Samenvatting
In deze zaak had een belastingplichtige beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 januari 2026. De griffier van de Hoge Raad had de belastingplichtige bij aangetekende brief gewezen op de verplichting griffierecht te betalen en daarvoor een termijn van vier weken gesteld. De brief was aantoonbaar bezorgd, maar het griffierecht bleef onbetaald. Nadat de belastingplichtige in de gelegenheid was gesteld de reden van niet-betaling toe te lichten, voerde hij aan dat de verplichting om griffierecht vooraf te betalen op straffe van niet-ontvankelijkheid onverenigbaar is met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, gelezen in samenhang met artikel 52. Hij stelde dat een achterafse heffing bij ongegrond beroep veel evenrediger zou zijn en dat de Hoge Raad verplicht zou zijn hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. De Hoge Raad verwierp dit betoog met een verwijzing naar zijn eerder arrest van 12 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:915), waarin dezelfde rechtsvraag al uitvoerig was beoordeeld en prejudiciële vragen waren afgewezen. Omdat de belastingplichtige in verzuim was gebleven met de betaling van het griffierecht en geen verschoonbare reden had aangedragen, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege. Het arrest heeft beperkte zelfstandige betekenis: het is een toepassingsgeval van reeds bestaande rechtspraak en introduceert geen nieuwe rechtsregels. Het bevestigt echter dat de Nederlandse griffierechtregeling Europeesrechtelijk houdbaar wordt geacht en dat rechters niet gehouden zijn tot het stellen van prejudiciële vragen wanneer de rechtsvraag al is uitgekristalliseerd.