JurispRadar
ECLI:NL:HR:2026:1160Laag5/100

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep werkneemster tegen Gemeente

ECLI:NL:HR:2026:1160, Hoge Raad, 03-07-2026, 25/01790

Hoge RaadUitspraak: 3 juli 2026Publicatie: 2 juli 2026
Zaaknummer:25/01790
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Arbeidsrelaties
Overheid
Artikel 81 Ro
Cassatie
Proceskosten
Gemeente
Arbeidsgeschil

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Art. 81 lid 1 RO. Verbintenissenrecht. Arbeidsrecht. Cao Gemeenten. Arbeidsongeschiktheid in en door dienst vanwege bijzondere omstandigheden waaronder werknemer opgedragen werkzaamheden moest verrichten.

Kern van de zaak

Een werkneemster stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het hof in een geschil met de Gemeente. De exacte inhoud van het onderliggende geschil blijkt niet uit de gepubliceerde tekst, maar het betreft een arbeidsrechtelijke kwestie tussen werkneemster en Gemeente als werkgever.

Beslissing van de rechter

De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep van de werkneemster op grond van artikel 81 lid 1 RO, zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de klachten niet nodig is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het voorwaardelijk incidentele beroep van de Gemeente behoeft geen behandeling nu het principale beroep wordt verworpen.

5van 100

Impactscore

Laag

De Hoge Raad verwerpt het beroep zonder inhoudelijke motivering op grond van artikel 81 lid 1 RO, waardoor de uitspraak geen bijdrage levert aan de rechtsontwikkeling en enkel procedurele afwikkeling betreft.

Belangrijkste punten

  • 1Hoge Raad past artikel 81 lid 1 RO toe: geen motiveringsplicht bij klachten die niet raken aan rechtseenheid of rechtsontwikkeling
  • 2Principale cassatieberoep van werkneemster wordt verworpen; het hofarrest blijft in stand
  • 3Voorwaardelijk incidenteel beroep van de Gemeente vervalt vanwege verwerping principale beroep
  • 4Werkneemster wordt veroordeeld in cassatiekosten: € 905 verschotten en € 2.200 salaris, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling
  • 5De inhoudelijke gronden van het onderliggende geschil zijn niet kenbaar uit de gepubliceerde uitspraak

Impactanalyse

Juridische impact

Deze uitspraak heeft geen zelfstandige juridische precedentwerking; de toepassing van artikel 81 lid 1 RO bevestigt slechts de bestaande praktijk dat de Hoge Raad niet-richtinggevende klachten ongemotiveerd kan verwerpen.

Praktische impact

De werkneemster verliest haar cassatieberoep en is gehouden de proceskosten van de Gemeente te vergoeden; het arrest van het hof blijft definitief gelden als einduitspraak in dit geschil.

Onderwerp-impact

Voor arbeidsrechtelijke geschillen tussen werknemers en gemeentelijke werkgevers heeft deze uitspraak geen materiële betekenis, nu de inhoudelijke rechtsvraag onbekend blijft en de verwerping uitsluitend op procedurele gronden plaatsvindt.

Samenvatting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 3 juli 2026 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tussen een werkneemster en een Gemeente. De werkneemster had cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof, waarbij ook de Gemeente een voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep had ingesteld voor het geval het principale middel gedeeltelijk gegrond zou worden bevonden. De inhoud van het onderliggende geschil — de feitelijke en juridische kwestie die partijen verdeeld hield — is op basis van de gepubliceerde uitspraaktekst niet kenbaar, hetgeen de analysemogelijkheden beperkt. De Hoge Raad heeft de klachten van de werkneemster beoordeeld en geoordeeld dat deze niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden arrest. Daarbij heeft de Hoge Raad gebruik gemaakt van de bevoegdheid neergelegd in artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie, op grond waarvan hij kan afzien van een uitgebreide motivering wanneer de beantwoording van de klachten niet noodzakelijk is voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht. Dit is een standaard procedurele afdoening die regelmatig wordt toegepast bij cassatieklachten die, hoewel inhoudelijk beoordeeld, geen rechtsvragen opwerpen met een bredere betekenis. Als gevolg van de verwerping van het principale beroep, vervalt de voorwaarde waaronder het incidentele beroep van de Gemeente was ingesteld, zodat dit geen verdere behandeling behoeft. De werkneemster is tevens veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding, begroot op € 905 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-tijdige voldoening. Het arrest van het hof staat daarmee definitief vast. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 24 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Arbeidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2086Middel
Arbeidsrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2086, Gerechtshof Den Haag, 07-07-2026, 200.306.175/01

Gerechtshof Den Haag7 jul 2026ArbeidsrelatiesFinanciele Dienstverlening
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2084Middel
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2084, Gerechtshof Den Haag, 07-07-2026, 200.340.589/01

Gerechtshof Den Haag7 jul 2026ArbeidsrelatiesTransport
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2130Laag
Arbeidsrecht
Verbintenissenrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2130, Gerechtshof Den Haag, 07-07-2026, 200.349.262/01

Gerechtshof Den Haag7 jul 2026ArbeidsrelatiesRetail
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2175Laag
Arbeidsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2175, Gerechtshof Den Haag, 07-07-2026, 200.356.919/01

Gerechtshof Den Haag7 jul 2026ArbeidsrelatiesDienstverlening
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied