Man niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen tussenvonnis
ECLI:NL:GHSHE:2025:2747, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 07-10-2025, 200.354.390_01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kort geding. Partijen blijven kort gedingprocedures voeren ter zake de voorlopige toevertrouwing en aanverwante vorderingen, alsmede de zorgregeling en verdeling van de zorg tijdens vakanties. Het had op de weg van de man gelegenheid om een bodemprocedure te starten over deze kwesties. Het hof neemt, evenals de voorzieningenrechter in eerste aanleg, geen spoedeisend belang aan en veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep.
Kern van de zaak
Een man en vrouw, ouders van minderjarige [persoon A], zijn in conflict over een zorg- en contactregeling. De man stelt hoger beroep in tegen zowel een tussenvonnis (27 februari 2025) als een eindvonnis (8 april 2025) na eerdere afwijzing van zijn vorderingen in eerste aanleg.
Beslissing van de rechter
Het hof overweegt dat de man vermoedelijk niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 27 februari 2025 wegens overschrijding van de wettelijke beroepstermijn. De doorslaggevende reden is dat wettelijke termijnen voor rechtsmiddelen van openbare orde zijn en ambtshalve door de rechter moeten worden toegepast, ongeacht eventuele mededelingen van een griffiemedewerker.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische beslissing in een familierechtzaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de toegepaste regel over termijnen van openbare orde is reeds vaste jurisprudentie. De uitspraak is incompleet, waardoor de definitieve beslissing onzeker is.
Belangrijkste punten
- 1Wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen zijn van openbare orde en worden ambtshalve getoetst
- 2Een mededeling van een griffiemedewerker dat wachten op de eindbeslissing mogelijk was, disculpeert de man mogelijk niet van termijnoverschrijding
- 3Kinderen [persoon A] en [persoon B] staan onder toezicht van de GI per beschikking van 15 januari 2025
- 4Er gold al een vastgestelde zorg- en contactregeling op grond van een kort geding arrest van 23 juli 2024
- 5De rechtbank had de man in eerste aanleg al niet-ontvankelijk verklaard in vorderingen II.A., II.B. en II.C. en overige vorderingen afgewezen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt het beginsel dat termijnen voor rechtsmiddelen van openbare orde zijn en niet kunnen worden gerekt door informeel advies van griffiemedewerkers. Dit onderstreept het belang van tijdige en zorgvuldige procesvoering in familierechtelijke procedures.
Praktische impact
Voor de man betekent dit dat zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis mogelijk niet inhoudelijk wordt behandeld, waardoor de in eerste aanleg afgewezen vorderingen definitief zijn. De bestaande zorg- en contactregeling blijft daarmee vooralsnog van kracht.
Onderwerp-impact
In familierechtzaken met ondertoezichtstelling en contactregelingen benadrukt dit arrest dat ouders strikt de proceduretijdlijnen moeten bewaken, ook wanneer griffiemedewerkers andersluidende (informele) mededelingen doen.
Samenvatting
In deze familierechtzaak stonden twee ouders tegenover elkaar over de zorg- en contactregeling voor hun minderjarige kind [persoon A], alsmede voor [persoon B], de andere zoon van de vrouw. Beide kinderen wonen bij de vrouw en staan sinds 15 januari 2025 onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI). Op grond van een eerder kort geding arrest van dit hof van 23 juli 2024 gold al een gedetailleerde omgangsregeling waarbij de kinderen tweewekelijks bij de man verblijven. De man had in eerste aanleg diverse vorderingen ingesteld. De rechtbank Oost-Brabant wees een deel af bij tussenvonnis van 27 februari 2025 en verklaarde hem bij eindvonnis van 8 april 2025 niet-ontvankelijk in de overige vorderingen dan wel wees die af. De man stelde hoger beroep in, mede gericht tegen het tussenvonnis. Zijn verweer voor de termijnoverschrijding was dat een griffiemedewerker hem telefonisch had medegedeeld dat hij kon wachten op de eindbeslissing voordat hij hoger beroep instelde. Het hof stelt voorop dat wettelijke termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen van openbare orde zijn en ambtshalve moeten worden toegepast. Dit betekent dat de rechter, ongeacht het verweer van partijen, verplicht is te toetsen of het rechtsmiddel tijdig is ingesteld. Een informele mededeling van een griffiemedewerker kan in beginsel niet afdoen aan de wettelijke termijn. De vrouw had dan ook terecht het standpunt ingenomen dat de man niet-ontvankelijk is voor zover het beroep het tussenvonnis betreft. De uitspraak is op het punt van de definitieve beslissing incompleet, maar de richting is duidelijk: het hoger beroep tegen het tussenvonnis zal naar alle waarschijnlijkheid niet-ontvankelijk worden verklaard, met als gevolg dat de reeds vastgestelde contactregeling en de afgewezen vorderingen in kracht van gewijsde gaan.