JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2456Middel32/100

Hof Den Haag oordeelt over internationale bevoegdheid in faillissementszaak

ECLI:NL:GHDHA:2026:2456, Gerechtshof Den Haag, 28-07-2026, 200.355.678/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 28 juli 2026Publicatie: 24 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.355.678/01
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Internationaal privaatrecht
Overheid
Aansprakelijkheid
Faillissement
Curator
Brussel I Bis
Internationale Bevoegdheid
Artikel 7 Rv
Ankergedaagde

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Faillissement Bopec (Bonaire). Aansprakelijkstelling curator q.q. en pro se, naast Nederlandse gedaagden. Hoger beroep in bevoegdheidincident. Het hof verklaart de rechtbank op grond van artikel 7 lid 1 Rv internationaal bevoegd om kennis te nemen van de (in hoger beroep gewijzigde) eis tegen de curator q.q. en pro se.

Kern van de zaak

Alphaville, gevestigd op de Seychellen, is verwikkeld in een geschil met een curator (pro se) en mogelijk de Nederlandse Staat. De zaak draait om de vraag of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid heeft ten aanzien van Alphaville als buitenlandse partij. De curator tracht bevoegdheid te vestigen via de ankergedaagde-regeling van artikel 7 lid 1 Rv.

Beslissing van de rechter

Het hof beoordeelt de internationale bevoegdheid op grond van het commune Nederlandse internationaal bevoegdheidsrecht (artikelen 1-14 Rv), nu Brussel I bis niet van toepassing is. De doorslaggevende redenering richt zich op de vraag of aan de twee cumulatieve voorwaarden van artikel 7 lid 1 Rv is voldaan: bevoegdheid ten aanzien van een ankergedaagde op een andere grondslag, en voldoende samenhang tussen de vorderingen. De volledige beslissing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren.

32van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak past bestaande bevoegdheidsregels toe op een specifieke internationale casus en bevestigt het juridisch kader zonder fundamenteel nieuwe regels te stellen; de impact is voornamelijk relevant voor vergelijkbare grensoverschrijdende insolventiezaken.

Belangrijkste punten

  • 1Brussel I bis (Verordening 1215/2012) is niet van toepassing omdat de wederpartij geen vestigingsplaats heeft in een EU-lidstaat en geen uitzonderingsgronden gelden (artikel 6 lid 1 Brussel I bis).
  • 2De internationale bevoegdheid wordt getoetst aan het commune recht: artikelen 1-14 Rv, in het bijzonder artikel 7 lid 1 Rv (ankergedaagde-regeling).
  • 3Artikel 7 lid 1 Rv vereist twee cumulatieve voorwaarden: (1) bevoegdheid ten aanzien van een ankergedaagde op een andere grondslag dan artikel 7 lid 1 Rv zelf, en (2) voldoende samenhang tussen de vorderingen.
  • 4Zowel de bestuurder als de Staat worden overwogen als mogelijke ankergedaagde voor de bevoegdheidsvestiging ten aanzien van Alphaville.
  • 5Een eiswijziging door de curator (pro se) van 12 maart 2025 is mogelijk niet tijdig in de procedure ingebracht en wordt door het hof nader beoordeeld.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv als bevoegdheidsgrondslag bij internationale geschillen waarbij een partij buiten de EU is gevestigd en Brussel I bis toepassing mist. Dit bevestigt de subsidiaire rol van het commune Nederlandse bevoegdheidsrecht.

Praktische impact

Voor partijen gevestigd buiten de EU die in Nederlandse procedures worden betrokken, benadrukt deze zaak het belang van de ankergedaagde-constructie; zonder een in Nederland bevoegdheids-ankerende medegedaagde kan de Nederlandse rechter onbevoegd zijn.

Onderwerp-impact

In faillissementskwesties met internationale dimensies biedt deze zaak inzicht in hoe curatoren bevoegdheid kunnen proberen te vestigen via artikel 7 lid 1 Rv wanneer een wederpartij buiten de EU is gevestigd.

Samenvatting

In deze hoger beroepszaak bij het Gerechtshof Den Haag staat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter centraal in een geschil waarbij Alphaville, een op de Seychellen gevestigde vennootschap, tegenover een curator (pro se) staat. De kern van de juridische vraag is of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan aannemen ten aanzien van Alphaville, nu Verordening (EU) 1215/2012 (Brussel I bis) buiten toepassing blijft omdat de wederpartij geen vestiging in een EU-lidstaat heeft en geen van de uitzonderingsgronden uit die verordening van toepassing is. Het hof toetst de bevoegdheid daarom aan het commune Nederlandse internationaal privaatrecht, in het bijzonder artikel 7 lid 1 Rv. Deze bepaling maakt het mogelijk dat de Nederlandse rechter, wanneer hij bevoegd is ten aanzien van een zogenoemde ankergedaagde, ook bevoegdheid uitoefent ten aanzien van medegedaagden, mits de vorderingen voldoende samenhang vertonen om gezamenlijke behandeling te rechtvaardigen. Het hof benadrukt dat de bevoegdheid ten aanzien van de ankergedaagde op een zelfstandige grondslag moet berusten, dus niet op artikel 7 lid 1 Rv zelf. In deze zaak worden zowel een bestuurder als de Nederlandse Staat overwogen als potentiële ankergedaagde. Het hof indiceert dat de bevoegdheidsbeoordeling langs dezelfde lijnen verloopt, ongeacht welke van beide als anker wordt aangemerkt. Tevens speelt een processuele kwestie: een eiswijziging door de curator van 12 maart 2025 is mogelijk niet tijdig in de procedure gebracht, hetgeen het hof nader beoordeelt. De volledige eindbeslissing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren, maar de redenering biedt een helder kader voor de toepassing van artikel 7 lid 1 Rv in internationale insolventiezaken met buiten-EU-partijen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 4 augustus 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
32van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2107Middel
Contractenrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2107, Gerechtshof Amsterdam, 28-07-2026, 200.362.142/01

Gerechtshof Amsterdam28 jul 2026AansprakelijkheidBouw
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2409Laag
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2409, Gerechtshof Den Haag, 28-07-2026, 200.354.281/01

Gerechtshof Den Haag28 jul 2026ArbeidsrelatiesDienstverlening
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2487Laag
Bestuursrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2487, Gerechtshof Den Haag, 28-07-2026, 200.360.534/01

Gerechtshof Den Haag28 jul 2026OverheidHandhaving
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2465Middel
Ondernemingsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2465, Gerechtshof Den Haag, 28-07-2026, 200.368.107/01

Gerechtshof Den Haag28 jul 2026Financiele DienstverleningBestuurdersaansprakelijkheid
32/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied