Ondernemingskamer wijst verzoek ontheffing deskundige af
ECLI:NL:GHAMS:2026:2669, Gerechtshof Amsterdam, 17-09-2026, 200.354.340/01 OK
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ondernemingskamer; geschillenregeling; beschikking raadsheer-commissaris; afwijzing verzoeken.
Kern van de zaak
Twee aandeelhouders zijn verwikkeld in een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer over het beleid en de gang van zaken binnen een vennootschap. Aandeelhouder 1 verzoekt de benoemde gerechtelijk deskundige (Rooijackers) te ontheffen van zijn opdracht, stellende dat diens onafhankelijkheid in twijfel moet worden getrokken. Aandeelhouder 2 verweert zich en doet een tegenverzoek.
Beslissing van de rechter
De Ondernemingskamer (raadsheer-commissaris) wijst het verzoek van Aandeelhouder 1 tot ontheffing van de deskundige af. De doorslaggevende reden is dat de deskundige zelf heeft verklaard geen aanleiding te zien om te twijfelen aan zijn onafhankelijkheid, en de bezwaren die Aandeelhouder 2 in een brief aan de deskundige had geuit voor rekening van Aandeelhouder 2 zelf komen en niet aan de Ondernemingskamer zijn toe te schrijven.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele tussenbeschikking in een specifieke enquêteprocedure zonder bredere precedentwerking; de uitkomst is casuïstisch en beperkt in reikwijdte.
Belangrijkste punten
- 1De gerechtelijk deskundige Rooijackers betwist zelf elke twijfel aan zijn onafhankelijkheid in de waarderingsprocedure.
- 2Uitlatingen in de brief van Aandeelhouder 2 van 19 juni 2026 die aan de Ondernemingskamer worden toegeschreven, worden door de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk gecorrigeerd.
- 3De Ondernemingskamer heeft op zitting geen voorlopig oordeel gegeven over de ingediende verzoeken, noch over het kwartaalrapport van De Reus RA.
- 4Aandeelhouder 1 verzoekt subsidiair dat bij vervanging of toevoeging van een deskundige het reeds opgebouwde dossier wordt benut om verdere vertraging te voorkomen.
- 5Aandeelhouder 2 doet een tegenverzoek, onder meer strekkende tot transparantie over contacten tussen partijen en de deskundige en tot het gelasten van een mondelinge behandeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De beschikking bevestigt dat de drempel voor ontheffing van een gerechtelijk deskundige in een enquêteprocedure hoog is en dat beweringen over partijdigheid concreet onderbouwd moeten worden. Onjuiste toeschrijving van uitspraken aan de rechter wordt door de Ondernemingskamer uitdrukkelijk rechtgezet.
Praktische impact
Het waarderingstraject kan worden voortgezet met de reeds benoemde deskundige, waardoor verdere vertraging van het aandeelhouderswaarderingsproces wordt beperkt. Partijen blijven gebonden aan de eerder vastgestelde opdracht van de deskundige.
Onderwerp-impact
Voor aandeelhouders in geschillen over vennootschappelijk beleid onderstreept deze beschikking het belang van concrete en onderbouwde bezwaren bij verzoeken tot vervanging van een gerechtelijk deskundige in enquêteprocedures.
Samenvatting
In deze procedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam staan twee aandeelhouders tegenover elkaar in een enquêteprocedure over het beleid en de gang van zaken binnen een vennootschap. In het kader van die procedure was een gerechtelijk deskundige (Rooijackers) benoemd om een waardering van de vennootschap uit te voeren. Aandeelhouder 1 verzocht de Ondernemingskamer de deskundige te ontheffen van zijn opdracht, primair op grond van twijfels aan diens onafhankelijkheid. Aanleiding daarvoor was onder meer een brief van de advocaat van Aandeelhouder 2 van 19 juni 2026, gericht aan de deskundige, waarvan de inhoud door Aandeelhouder 1 als problematisch werd aangemerkt. Tevens werden bezwaren opgeworpen over de reikwijdte van de opdracht van de deskundige en de betrokkenheid van Aandeelhouder 2 bij geschilpunten die buiten die opdracht zouden vallen. De raadsheer-commissaris wijst het verzoek tot ontheffing af. Doorslaggevend is dat de deskundige zelf heeft verklaard geen grond te zien voor twijfel aan zijn onafhankelijkheid. Bovendien stelt de raadsheer-commissaris uitdrukkelijk recht dat de inhoud van de brief van 19 juni 2026 voor rekening van Aandeelhouder 2 zelf komt en niet, zoals door Aandeelhouder 2 gesuggereerd, aan de Ondernemingskamer is toe te schrijven; de Ondernemingskamer heeft op zitting geen voorlopig oordeel gegeven over de verzoeken of over het kwartaalrapport van De Reus RA. Aandeelhouder 1 verzocht subsidiair dat het reeds opgebouwde dossier behouden blijft bij een eventuele wisseling of uitbreiding van de deskundigenbenoeming, teneinde verdere vertraging te beperken. Aandeelhouder 2 deed een tegenverzoek, onder meer strekkend tot meer transparantie over de contacten tussen partijen en de deskundige. De beschikking is procedureel van aard en illustreert de hoge drempel die de Ondernemingskamer hanteert bij verzoeken tot ontheffing van een gerechtelijk deskundige: zonder concrete en onderbouwde aanwijzingen voor partijdigheid of onbekwaamheid wordt een dergelijk verzoek niet gehonoreerd. Vanwege de onvolledige tekst van de uitspraak bestaat enige onzekerheid over de volledige motivering en de afdoening van de tegenverzoeken.