Hoge Raad verklaart beroep niet-ontvankelijk wegens ontbrekende advocaathandtekening
ECLI:NL:HR:2026:1496, Hoge Raad, 18-09-2026, 26/02043
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Geen advocaat bij Hoge Raad aangewezen.
Kern van de zaak
Verzoekster diende een procesinleiding in bij de Hoge Raad zonder dat deze was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals vereist door art. 426a lid 1 Rv. Zij kreeg de kans het verzuim te herstellen, maar maakte daar geen gebruik van. Zij voerde aan dat zij geen advocaat bij de Hoge Raad bereid had gevonden de procesinleiding te ondertekenen.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep. Doorslaggevend is dat de procesinleiding niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en verzoekster het geboden herstel binnen twee weken niet heeft benut; de omstandigheid dat zij geen bereidwillige advocaat kon vinden, maakt dit niet anders.
Impactscore
LaagHet betreft een procesrechtelijke beslissing over ontvankelijkheid op basis van vaste regels en bestaand precedent; er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld en de uitkomst is in lijn met eerder gewezen jurisprudentie.
Belangrijkste punten
- 1Art. 426a lid 1 Rv vereist verplichte ondertekening van de procesinleiding door een advocaat bij de Hoge Raad.
- 2Verzuim kan worden hersteld door de procesinleiding opnieuw in te dienen binnen twee weken.
- 3Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de herstelmogelijkheid, wat leidt tot niet-ontvankelijkheid.
- 4De omstandigheid dat geen bereidwillige cassatieadvocaat kon worden gevonden, is geen verschoonbare reden voor het verzuim.
- 5De uitspraak sluit aan bij HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1725, als vergelijkbare precedent.
Impactanalyse
Juridische impact
De Hoge Raad bevestigt dat de verplichte procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat een harde ontvankelijkheidseis is, waarbij de onmogelijkheid om een bereidwillige advocaat te vinden geen verschoonbare omstandigheid vormt. Dit sluit aan bij vaste cassatierechtspraak en biedt geen ruimte voor afwijking.
Praktische impact
Partijen die cassatie willen instellen, moeten tijdig een advocaat bij de Hoge Raad bereid vinden en inschakelen; het niet kunnen vinden van zo'n advocaat levert geen rechtsgeldige reden op om de hersteltermijn onbenut te laten en resulteert in definitief verlies van toegang tot de Hoge Raad.
Onderwerp-impact
Voor de overheid en rechtzoekenden onderstreept deze uitspraak de drempel die procesvertegenwoordiging bij de Hoge Raad vormt en de beperkte mogelijkheden om formele verzuimen te excuseren bij gebrek aan bereidwillige cassatieadvocaten.
Samenvatting
In deze zaak stond de vraag centraal of verzoekster ontvankelijk was in haar cassatieberoep bij de Hoge Raad. De procesinleiding die zij had ingediend, was niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals dwingend voorgeschreven door art. 426a lid 1 Rv. De Hoge Raad bood verzoekster de mogelijkheid dit verzuim te herstellen door de procesinleiding opnieuw en correct in te dienen binnen een termijn van twee weken. Verzoekster maakte geen gebruik van deze herstelmogelijkheid. Als enige toelichting voerde zij aan dat zij er niet in was geslaagd een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden om de procesinleiding te ondertekenen en in te dienen. De Hoge Raad oordeelde dat deze omstandigheid geen grond oplevert om de niet-ontvankelijkheid te vermijden. De verplichte procesvertegenwoordiging door een cassatieadvocaat is een fundamentele ontvankelijkheidseis waaraan geen uitzondering wordt gemaakt op grond van praktische moeilijkheden aan de zijde van de verzoekende partij. Nu het verzuim niet tijdig was hersteld, verklaarde de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep, overeenkomstig de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal. De beslissing bevestigt vaste rechtspraak, zoals ook bleek uit de verwijzing naar het eerdere arrest van 21 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1725). De uitspraak illustreert dat de toegang tot de Hoge Raad strikt formeel geregeld is en dat partijen die zonder cassatieadvocaat procederen geen beroep kunnen doen op de feitelijke onmogelijkheid om een bereidwillige advocaat te vinden als excuus voor het niet herstellen van het verzuim.