CSU niet-ontvankelijk in aanbestedingshoger beroep Politie
ECLI:NL:GHDHA:2026:95, Gerechtshof Den Haag, 13-01-2026, 200.356.325/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Overheidsaanbesteding. Gunning op basis van het principe lineair programmeren. Dat betekent dat niet noodzakelijkerwijs de inschrijver met de beste score op ieder perceel de opdracht krijgt. Geen strijd met het transparantiebeginsel.
Kern van de zaak
CSU, een schoonmaakbedrijf, vocht in hoger beroep een aanbestedingsprocedure aan waarbij de Politie schoonmaakdiensten had gegund. CSU had bezwaar tegen de gunningsbeslissing en vorderde voorlopige voorzieningen. De overeenkomsten waren echter al gesloten voordat het hof kon oordelen.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart CSU niet-ontvankelijk in haar vorderingen in hoger beroep en wijst de voorlopige voorziening af; doorslaggevend is dat de aanbestedingsovereenkomsten reeds waren gesloten waardoor de vorderingen waren ingehaald door de werkelijkheid en geen actueel belang meer bestond. Het vonnis van de voorzieningenrechter wordt bekrachtigd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaand recht rondom aanbestedingsgeschillen en de vrijheid van aanbestedende diensten na eerste aanleg, zonder nieuwe rechtsregels te stellen; de praktische relevantie voor aanbestedingsprocedures is echter reëel.
Belangrijkste punten
- 1CSU werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de overeenkomsten reeds waren gesloten voordat het hof uitspraak deed
- 2De eiswijziging van CSU werd wel toegestaan om aan te sluiten bij de gewijzigde feitelijke situatie
- 3De provisionele vordering was ingehaald door de werkelijkheid en kon niet meer worden toegewezen nu het hoger beroep eindigde
- 4Een aanbestedende dienst (hier: de Politie) is in beginsel vrij om na een vonnis in eerste aanleg tot gunning over te gaan zonder het hoger beroep af te wachten
- 5CSU's verzoek om een oordeel over het handelen van de Politie werd afgewezen wegens gebrek aan relevantie voor de vorderingen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een aanbestedende dienst na een vonnis in eerste aanleg vrijelijk tot gunning kan overgaan, waardoor een appellant in hoger beroep het risico loopt dat vorderingen de actualiteit missen. Dit onderstreept het belang van tijdige provisionele maatregelen in aanbestedingsgeschillen.
Praktische impact
Bedrijven die een aanbestedingsbeslissing aanvechten dienen direct bij het instellen van hoger beroep effectieve voorlopige voorzieningen te vorderen om te voorkomen dat de aanbestedende dienst de overeenkomst sluit en het geschil daarmee praktisch zinloos wordt.
Onderwerp-impact
In aanbestedingspraktijk vergroot dit arrest de kwetsbaarheid van verliezende inschrijvers die in hoger beroep gaan: zonder een rechterlijk bevel tot opschorting van gunning kan de aanbestedende dienst de zaak feitelijk onttrekken aan rechterlijke toetsing.
Samenvatting
In deze aanbestedingszaak vorderde schoonmaakbedrijf CSU in kort geding en vervolgens in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag dat de Politie schoonmaakdiensten niet definitief mocht gunnen zonder het oordeel van het hof af te wachten. De kern van het geschil betrof de gunning van schoonmaakdiensten door de Nationale Politie, waarbij CSU bezwaar maakte tegen de aanbestedingsprocedure of de gunningsbeslissing. Hangende het hoger beroep had het hof aanvankelijk een bevel opgelegd om gunning op te schorten. Desalniettemin sloot de Politie na het vonnis in eerste aanleg van 20 juni 2025 de overeenkomsten met de winnende inschrijvers, waaronder naar eigen zeggen ook CSU zelf behoorde. CSU wijzigde daarop haar eis om aan te sluiten bij deze nieuwe feitelijke situatie, welke eiswijziging het hof toestond. Het hof oordeelde echter dat door het sluiten van de overeenkomsten de vorderingen van CSU hun actuele grondslag hadden verloren. De provisionele vordering was ingehaald door de werkelijkheid en kon bovendien niet meer worden toegewezen nu het hoger beroep met het arrest eindigde. Het hof stelde voorts vast dat een aanbestedende dienst in beginsel vrij is om na een vonnis in eerste aanleg tot definitieve gunning over te gaan zonder een hoger beroep af te wachten. Een inhoudelijk oordeel over het handelen van de Politie — die het hoger beroep niet had afgewacht — liet het hof achterwege wegens gebrek aan relevantie voor de ingestelde vorderingen. Uiteindelijk verklaarde het hof CSU niet-ontvankelijk in haar vorderingen, wees de voorlopige voorziening af en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter. CSU werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak illustreert het structurele risico dat appellanten in aanbestedingszaken lopen wanneer zij verzuimen onmiddellijk afdoende opschortende voorzieningen te bewerkstelligen.