Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1439, Hoge Raad, 11-09-2026, 25/03570
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belastingplichtige stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Hij deed een beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het griffierecht, maar de griffier zag geen aanleiding om van heffing af te zien. Het griffierecht bleef onbetaald.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Doorslaggevend is dat niet aannemelijk is geworden dat het maandelijks netto-inkomen van belanghebbende minder bedraagt dan 95% van de relevante bijstandsnorm, waardoor het beroep op betalingsonmacht niet slaagt.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurebeslissing over niet-ontvankelijkheid wegens onbetaald griffierecht zonder inhoudelijk oordeel over de belastingzaak zelf; de uitspraak past volledig binnen gevestigde rechtspraak en stelt geen nieuwe regels.
Belangrijkste punten
- 1Beroep op betalingsonmacht wordt verworpen omdat de overgelegde documenten onvoldoende bewijs leveren dat het inkomen onder de 95%-bijstandsnormgrens valt
- 2De aangetekende brief met betalingstermijn van vier weken geldt als rechtsgeldig bezorgd op basis van Track&Trace-gegevens van PostNL
- 3Plaatsing van een bericht in het digitale dossier én verzending van een e-mailkennisgeving vormen tezamen de basis voor ontvangstfictie ex artikel 8:36c lid 2 Awb
- 4Belanghebbende heeft niet gereageerd op de geboden gelegenheid om uitleg te geven over het uitblijven van betaling
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de 95%-bijstandsnormtoets bij betalingsonmacht voor griffierecht en de werking van digitale ontvangstficties ex artikel 8:36c lid 2 Awb. Het biedt geen nieuwe rechtsontwikkeling, maar consolideert bestaande procedurele regels.
Praktische impact
Voor belastingplichtigen die griffierecht niet kunnen betalen, is het van belang deugdelijke en concrete financiële documentatie te overleggen; onvoldoende bewijs leidt onherroepelijk tot niet-ontvankelijkheid en verlies van de cassatieprocedure.
Onderwerp-impact
In belastingzaken benadrukt deze uitspraak dat toegang tot de cassatierechter afhankelijk is van naleving van griffierechtverplichtingen, ook wanneer betalingsonmacht wordt ingeroepen.
Samenvatting
In deze cassatieprocedure bij de Hoge Raad staat niet de inhoudelijke belastingkwestie centraal, maar de vraag of het beroep in cassatie ontvankelijk is. Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 2 september 2025, maar betaalde het verschuldigde griffierecht niet. Hij deed een beroep op betalingsonmacht. De griffier van de Hoge Raad vroeg aanvullende financiële informatie op, maar zag in de verstrekte documenten geen aanleiding om van heffing af te zien. Vervolgens werd belanghebbende per aangetekende brief – waarvan PostNL-Track&Trace-data bevestigt dat deze is afgeleverd – een betalingstermijn van vier weken gegund. Na het uitblijven van betaling plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier en stuurde een e-mailkennisgeving, waarna belanghebbende op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb geacht wordt dit bericht op 25 maart 2026 te hebben ontvangen. Belanghebbende reageerde niet en betaalde alsnog niet. De Hoge Raad overweegt dat het beroep op betalingsonmacht niet slaagt. Op basis van de overgelegde documenten acht de Hoge Raad niet aannemelijk dat het maandelijks netto-inkomen van belanghebbende minder bedraagt dan 95% van de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande op AOW-gerechtigde leeftijd, zijnde het wettelijke criterium voor betalingsonmacht. Nu het griffierecht niet is voldaan en het beroep op betalingsonmacht niet opgaat, wordt het beroep in cassatie op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is procedureel van aard en bevat geen inhoudelijk oordeel over de onderliggende belastingkwestie.