Cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht
ECLI:NL:HR:2026:1469, Hoge Raad, 11-09-2026, 26/00999
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)HR verklaart het beroep in cassatie n-o.
Kern van de zaak
Een belanghebbende stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2026 in een belastingzaak. De griffier wees belanghebbende per aangetekende brief op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Ondanks afhaling van de brief en een digitale herinnering werd het griffierecht niet betaald.
Beslissing van de rechter
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. De doorslaggevende reden is dat belanghebbende het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan, ondanks twee herhaalde kennisgevingen, en ook niet heeft gereageerd op de gelegenheid om een reden voor niet-betaling op te geven.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van griffierecht, zonder inhoudelijk oordeel. De uitspraak past gevestigde jurisprudentie toe en stelt geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Griffierecht werd niet voldaan binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief van 29 april 2026.
- 2De aangetekende brief werd afgehaald op een PostNL-afhaallocatie, waarmee ontvangst door belanghebbende vaststaat.
- 3Op 3 juni 2026 plaatste de griffier een bericht in het digitale dossier en stuurde een e-mailkennisgeving; ontvangst wordt aangenomen op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb.
- 4Belanghebbende reageerde niet op de geboden gelegenheid om de reden van niet-betaling toe te lichten.
- 5Geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste toepassing van artikel 8:41 lid 6 Awb: niet-betaling van griffierecht na behoorlijke kennisgeving leidt dwingend tot niet-ontvankelijkheid, ook in cassatie bij de Hoge Raad. De fictieve ontvangstregel van artikel 8:36c lid 2 Awb voor digitale berichten wordt expliciet toegepast.
Praktische impact
Belanghebbende verliest daadwerkelijk de mogelijkheid om de belastingzaak inhoudelijk aan de Hoge Raad voor te leggen. Het griffierecht moet tijdig worden voldaan om toegang tot de cassatierechter te behouden.
Onderwerp-impact
In belastingzaken bij de Hoge Raad leidt het niet voldoen aan de griffierechtplicht onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, wat de drempel voor toegang tot de hoogste rechter in belastinggeschillen onderstreept.
Samenvatting
In deze procedure bij de Hoge Raad gaat het om de ontvankelijkheid van een beroep in cassatie dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 februari 2026 in een belastingzaak (zaaknummer BK-ARN 24/74). De griffier van de Hoge Raad verzond op 29 april 2026 een aangetekende brief aan belanghebbende met de mededeling dat griffierecht was verschuldigd en stelde daarvoor een betalingstermijn van vier weken. Uit Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief was afgehaald op een afhaallocatie, zodat ontvangst door belanghebbende kon worden aangenomen. Desondanks werd het griffierecht niet voldaan. Vervolgens plaatste de griffier op 3 juni 2026 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende, met de uitnodiging om een reden op te geven voor de niet-betaling. Tegelijkertijd werd een e-mailkennisgeving verzonden naar het door belanghebbende opgegeven e-mailadres. Op grond van artikel 8:36c lid 2 Awb neemt de Hoge Raad aan dat dit digitale bericht op 3 juni 2026 is ontvangen. Belanghebbende maakte echter geen gebruik van de geboden gelegenheid om een reactie te geven. De centrale juridische vraag was of het beroep in cassatie ontvankelijk kon worden verklaard ondanks het uitblijven van betaling van griffierecht. De Hoge Raad beantwoordt die vraag ontkennend en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb. Dit artikel bepaalt dwingend dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard indien griffierecht niet tijdig is voldaan en de indiener niet aannemelijk maakt dat dit buiten zijn schuld is gebleven. Nu belanghebbende zowel de betalingsverplichting heeft genegeerd als heeft nagelaten te reageren op de uitnodiging tot toelichting, resteerde de Hoge Raad geen andere mogelijkheid dan niet-ontvankelijkverklaring. Een proceskostenveroordeling werd niet uitgesproken.