OM handelt onrechtmatig door documentairemakers mee te laten lopen bij opsporingsonderzoek
ECLI:NL:GHDHA:2026:664, Gerechtshof Den Haag, 28-04-2026, 200.340.622/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)is het mee laten lopen van een documentairemaker tijdens het opsporingsonderzoek van de FIOD onrechtmatig? strijd met de geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg, van 'verwerkte' politiegegevens is ook sprake als deze enkel worden 'verzameld' (art. 1 aanhef en onder c Wpg), schending geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg vergt een andere toetsing dan schending ambtsgeheim ex art. 272 Sr, geen rechtvaardigingsgrond ex art. 19 aanhef en onder a Wpg, art. 10 EVRM niet aan de orde in voorfase van uitzending, verplichting tot schadebegroting ex art. 612 Rv ook als verwijzing naar schadestaatprocedure is gevorderd, geen naar inhoud en/of strekking nietig Mediacontract ex art. 3:40 lid 1 BW.
Kern van de zaak
Geïntimeerden (verdachten in het FUJI-onderzoek) stellen dat het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door documentairemakers vrijwel ongeclausuleerd toegang te geven tot hun persoonsgegevens en het opsporingsonderzoek. De Staat gaat in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat de geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg is geschonden.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank dat het OM onrechtmatig heeft gehandeld jegens de geïntimeerden. Doorslaggevend is dat het OM zonder enige noodzaak de privacy van verdachten heeft geschonden en de geheimhoudingsplicht van de Wet politiegegevens (Wpg) heeft geschonden door documentairemakers vrijwel ongeclausuleerd toegang te geven tot persoonsgegevens van verdachten en betrokkenen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor de praktijk van mediasamenwerkingen bij opsporingsonderzoeken en de reikwijdte van de Wpg-geheimhoudingsplicht, maar betreft een feitenrechter (gerechtshof) en stelt geen fundamenteel nieuw rechtsregel vast.
Belangrijkste punten
- 1Het OM heeft de geheimhoudingsplicht ex art. 7 lid 1 Wpg geschonden door documentairemakers mee te laten lopen bij het FUJI-opsporingsonderzoek.
- 2De onrechtmatigheid betreft het opname- en totstandkomingsproces van de documentaire, niet (alleen) de uiteindelijk uitgezonden documentaire zelf.
- 3Politiegegevens in de zin van de Wpg omvatten alle persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak.
- 4Het lichtzinnige optreden van het OM heeft geleid tot forse reputatieschade voor de verdachten, mede doordat het bestaan van de documentaire bekend werd tijdens het strafproces.
- 5De verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld wordt toegewezen; het OM kon geen rechtvaardigingsgrond aanvoeren voor de privacyschending.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt dat de Wpg-geheimhoudingsplicht ook strikt geldt in de context van mediaproducties en dat het OM geen vrijheid heeft om derden (documentairemakers) zonder wettelijke grondslag toegang te verlenen tot politiegegevens van verdachten. De uitspraak onderstreept dat de afwezigheid van noodzaak voor de inbreuk beslissend is voor de onrechtmatigheid.
Praktische impact
Verdachten en betrokkenen bij opsporingsonderzoeken worden beter beschermd tegen ongeautoriseerde openbaarmaking van hun persoonsgegevens aan mediabedrijven. Voor het OM en de politie betekent dit dat mediasamenwerkingen tijdens lopende onderzoeken slechts mogelijk zijn met een uitdrukkelijke wettelijke grondslag en aantoonbare noodzaak.
Onderwerp-impact
Voor de mediasector benadrukt deze uitspraak dat toegang tot opsporingsonderzoeken voor documentairemakers niet zomaar kan worden verleend door het OM, ook niet als het eindproduct onder de persvrijheid valt. De reputatieschade die voortvloeit uit het bekend worden van dergelijke mediaprojecten tijdens een lopend strafproces kan voor betrokkenen verstrekkende gevolgen hebben.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie onrechtmatig heeft gehandeld jegens twee geïntimeerden — verdachten in het zogenoemde FUJI-onderzoek — door documentairemakers van Selfmade Films vrijwel ongeclausuleerd te laten meelopen tijdens het opsporingsonderzoek en hen opnames te laten maken van verschillende momenten daarbinnen. De Staat had hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, die had geoordeeld dat het OM de geheimhoudingsplicht van artikel 7 lid 1 van de Wet politiegegevens (Wpg) had geschonden. Het Gerechtshof Den Haag bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat de Wpg van toepassing is op alle persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de uitvoering van de politietaak, en dat de geheimhoudingsplicht van de bij het onderzoek betrokken ambtenaren daarop onverkort van toepassing is. De onrechtmatigheid is volgens het hof gelegen in het opname- en totstandkomingsproces van de documentaire zelf, en niet slechts in de uiteindelijk uitgezonden versie. De persvrijheid van de documentairemakers doet hier niet aan af. Doorslaggevend is dat het OM zonder enige noodzaak de privacy van de verdachten heeft geschonden: er was geen wettelijke grondslag of zwaarwegend belang dat de medewerking aan de documentaireproductie rechtvaardigde. Het hof kwalificeert dit als lichtzinnig optreden, dat bovendien heeft geleid tot aanzienlijke reputatieschade voor de geïntimeerden, nu het bestaan van de documentaire tijdens het lopende strafproces bekend werd. De gevorderde verklaring voor recht — dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld — wordt toegewezen. Deze uitspraak maakt duidelijk dat mediasamenwerkingen bij actieve opsporingsonderzoeken strikt aan wettelijke voorwaarden gebonden zijn en dat het ontbreken van noodzaak voor de privacyinbreuk de doorslag geeft bij de beoordeling van onrechtmatigheid.