Wlz-voordeel toch verrekend bij letselschadevergoeding verlies arbeidsvermogen
ECLI:NL:GHDHA:2026:550, Gerechtshof Den Haag, 24-03-2026, 200.339.275/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Letselschade. Kind loop ernstig hersenletsel op en is blijvend aangewezen op verblijf en verzorging in een gezinsvervangend tehuis, vergoed vanuit de Wlz. Schade wegens verlies aan arbeidsvermogen. Voordeelstoerekening wegens voorzieningen op grond van de Wlz strekt niet verder dan de daadwerkelijke waarde van deze voorzieningen. Een bepaalde onzekere toekomstige post kan buiten de afrekening ineens worden gehouden. Smartengeld wegens jeugdige leeftijd ten tijde van het letsel.
Kern van de zaak
Appellanten vorderen schadevergoeding van verzekeraar Allianz voor letselschade (verlies arbeidsvermogen en immateriële schade) van betrokkene. De rechtbank oordeelde dat Wlz-aanspraken via voordeelstoerekening in mindering komen op de schadevergoeding. Appellanten bestrijden dit in hoger beroep, onder meer op grond van redelijkheid en billijkheid en onjuiste toepassing van artikel 10.2.1 Wlz.
Beslissing van de rechter
Het hof heeft het hoger beroep beoordeeld en de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, waarbij de grieven van appellanten kennelijk niet volledig zijn gehonoreerd. De doorslaggevende reden is dat het beroep op voordeelstoerekening door Allianz niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar werd geacht, ondanks het late stadium waarin dit verweer werd gevoerd.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een relatief specifieke feitelijke situatie (Wlz-verrekening bij letselschade), maar raakt aan een breder relevant vraagstuk in de letselschadepraktijk omtrent voordeelstoerekening en de werking van de redelijkheid en billijkheid bij langdurige schadeonderhandelingen.
Belangrijkste punten
- 1Allianz deed pas in 2020 een beroep op voordeelstoerekening van Wlz-aanspraken, ruim twintig jaar na aansprakelijkstelling in 1999
- 2Appellanten betogen dat dit beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is gezien het verloop van de onderhandelingen
- 3Subsidiair stellen appellanten dat artikel 10.2.1 Wlz onjuist is toegepast bij het honoreren van het verrekenverweer
- 4Appellanten betwisten tevens de hoogte van de vastgestelde immateriële schade (grief 4)
- 5Appellanten wensen afwikkeling van de schade ineens, met voorbehoud voor eventueel wegvallen van Wlz-financiering voor één-op-één begeleiding
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de grenzen van het beroep op redelijkheid en billijkheid bij (laat) ingeroepen voordeelstoerekening in letselschadezaken en de verhouding tot Wlz-aanspraken ex artikel 10.2.1 Wlz. De uitkomst bevestigt dat een langdurig onderhandelingsverloop op zichzelf niet volstaat om een verrekenverweer te blokkeren.
Praktische impact
Voor letselschadeslachtoffers die aanspraak maken op Wlz-zorg betekent dit dat verrekening van die aanspraken met de schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen standhoudt, ook als de verzekeraar dit verweer pas laat in het schaderegelingsproces inbrengt.
Onderwerp-impact
In de zorgpraktijk heeft deze uitspraak gevolgen voor de wijze waarop Wlz-gefinancierde zorg wordt meegewogen bij de berekening van letselschadevergoedingen, en voor de positie van ernstig letselschadeslachtoffers die afhankelijk zijn van intensieve begeleiding.
Samenvatting
In deze zaak staat centraal de vraag of verzekeraar Allianz bij de vaststelling van schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen rekening mag houden met aanspraken van het slachtoffer op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), en of een beroep op voordeelstoerekening na ruim twintig jaar onderhandelen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Nadat de rechtsvoorganger van Allianz in 1999 aansprakelijk was gesteld voor het letsel van betrokkene, zijn langdurige onderhandelingen gevoerd over de schadeafwikkeling. Pas in augustus 2020 bracht Allianz voor het eerst een verband aan tussen de Wlz-aanspraken van betrokkene en de vergoeding voor verlies van arbeidsvermogen. De rechtbank honoreerde dit verrekenverweer op grond van artikel 10.2.1 Wlz. Appellanten gingen in hoger beroep en betoogden primair dat het tardief inroepen van dit verweer, gelet op het lange onderhandelingsverloop, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Subsidiair stelden zij dat de rechtbank artikel 10.2.1 Wlz onjuist had toegepast. Daarnaast klaagden appellanten over de te lage vaststelling van de immateriële schade en wensten zij afwikkeling ineens, met een voorbehoud voor het geval de Wlz-financiering voor één-op-één begeleiding in de toekomst zou wegvallen. Het Gerechtshof Den Haag heeft de grieven van appellanten beoordeeld en oordeelde dat het beroep op voordeelstoerekening door Allianz niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, ondanks het late tijdstip waarop dit verweer werd gevoerd. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitspraak bevestigt dat Wlz-aanspraken bij de schadebegroting in aanmerking mogen worden genomen en dat een langdurig onderhandelingsverloop niet automatisch in de weg staat aan een verrekenverweer.