Pelagische vissers verliezen claim over Brexit-compensatie Staat
ECLI:NL:GHDHA:2026:2969, Gerechtshof Den Haag, 06-10-2026, 200.347.857/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Pelagische visserijsector vordert verklaring voor recht en schadevergoeding omdat de Staat fondsen ter beschikking gesteld door de EU niet heeft aangewend om een speciale regeling te treffen voor de compensatie van de pelagische visserij voor de gevolgen van de Brexit. Hof wijst vordering af. Naar het oordeel van het hof paste het niet treffen van deze regeling binnen de beleidsvrijheid van de Staat.
Kern van de zaak
Pelagische vissers (Van der Zwan c.s.) dagvaardden de Staat omdat zij vonden dat de Brexit-subsidieregeling hun schade niet op betekenisvolle wijze compenseerde, terwijl EU-middelen daarvoor beschikbaar waren. De vissers stelden dat de Staat onrechtmatig handelde door de kottervisserij te bevoordelen boven de pelagische sector.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vorderingen van de pelagische vissers af. De doorslaggevende reden is dat de Staat in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor een subsidieregeling die gericht is op de zwaarst getroffen sector (kottervisserij), waarbij de pelagische vissers onvoldoende inzicht hebben gegeven in de impact op hun bedrijfsvoering en de Staat een gerechtvaardigde politieke afweging heeft gemaakt om risico op niet-goedkeuring door de Europese Commissie te vermijden.
Impactscore
MiddelDe zaak is sectorspecifiek (pelagische visserij en Brexit-subsidies) en heeft beperkte precedentwerking buiten deze context, maar is relevant voor vergelijkbare geschillen over subsidieverdeling en overheidsbeleid na Brexit.
Belangrijkste punten
- 1De BAR-verordening bevat geen definitie van 'zwaarst getroffen', wat de Staat beoordelingsruimte geeft
- 2Pelagische vissers hebben onvoldoende onderbouwd hoe de contingentverlaging hun bedrijfsvoering heeft geraakt
- 3Voor kottervisserij kon de Brexit de druppel zijn die de emmer doet overlopen, ook zonder eerdere visserij in Britse wateren
- 4De keuze voor een andere opzet dan de Deense subsidieregeling is een gerechtvaardigde politieke afweging van de Staat
- 5Het vermijden van risico op afwijzing of vertraagde EU-goedkeuring is een beleidsmatige keuze die aan de Staat toekomt
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest bevestigt dat de rechter terughoudend toetst bij politieke en beleidsmatige afwegingen rondom subsidieverdeling, en dat op eisers een stelplicht rust om de impact op hun specifieke bedrijfsvoering te onderbouwen.
Praktische impact
Pelagische vissers ontvangen geen aanvullende Brexit-compensatie via deze procedure en zullen de geleden schade als gevolg van contingentverliezen zelf moeten dragen.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de bredere discussie over eerlijke verdeling van EU-Brexit-compensatiemiddelen binnen de visserijsector en de reikwijdte van overheidssteun aan specifieke deelsectoren.
Samenvatting
In deze procedure vorderden pelagische vissers, vertegenwoordigd door Van der Zwan c.s., een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door hun Brexit-schade niet op betekenisvolle wijze te compenseren. De achtergrond is de Brexit-subsidieregeling waarbij de Staat EU-middelen heeft verdeeld over de visserijsector, maar daarbij primair de kottervisserij heeft bevoordeeld. De pelagische vissers stelden dat dit onderscheid onrechtmatig is, mede omdat de EU-middelen juist mede met het oog op compensatie van hun sector beschikbaar zijn gesteld en er geen juridische belemmeringen zouden bestaan voor een ruimere compensatie. Het Gerechtshof Den Haag wijst de vorderingen af. Het hof overweegt dat de BAR-verordening geen definitie geeft van 'zwaarst getroffen vissers', zodat de Staat bij de verdeling van de middelen een eigen afweging mag maken. De Staat heeft niet uitsluitend gekeken naar de omvang van verloren contingenten, maar ook naar de algehele gevolgen voor de sector en de toekomstige weerbaarheid. Dit acht het hof een redelijke benadering. Cruciaal is dat de pelagische vissers onvoldoende inzicht hebben verschaft in de concrete impact van de contingentverlaging op hun bedrijfsvoering en hun mogelijkheden om schade te beperken. Daartegenover staat dat de Brexit voor de kottervisserij de druppel kan zijn die de emmer doet overlopen, ook als individuele kottervissers vóór de Brexit niet in Britse wateren hebben gevist. Daarnaast oordeelt het hof dat de keuze voor een andere opzet dan de Deense subsidieregeling een gerechtvaardigde politieke afweging is. Het risico dat de Europese Commissie een compensatie op basis van de waarde van contingenten niet of niet tijdig zou goedkeuren, mocht de Staat legitiem in zijn overwegingen betrekken. Dergelijke politieke en beleidsmatige keuzes komen de Staat toe en worden door de rechter terughoudend getoetst. De vorderingen worden afgewezen.