Beroep GLB-subsidie ongegrond, wel schadevergoeding wegens lange duur
ECLI:NL:CBB:2026:492, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-10-2026, 24/1089
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)GLB 2023. Perceel terecht niet als subsidiabel landschapselement aangemerkt. Een ‘boomgroep’ moet op zichzelf staan. Het perceel maakt deel uit van een groter omliggend bos en is daarvan, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm en volledige inbedding, niet te onderscheiden. Omdat het gehele bos meer dan 1,5 hectare beslaat is het niet subsidiabel.
Kern van de zaak
Een maatschap (landbouwer) heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van de minister over de subsidiabiliteit van landschapselementen onder het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023. De maatschap stelt dat de minister met twee maten meet bij de beoordeling van boomgroepen en andere landschapselementen als subsidiabele hectaren.
Beslissing van de rechter
Het beroep is ongegrond verklaard; de rechter volgt de minister in de toepassing van de Uitvoeringsregeling GLB 2023. Wel wordt de Staat veroordeeld tot betaling van € 500,- immateriële schadevergoeding (vermoedelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn) en € 467,- aan proceskosten.
Impactscore
LaagDe uitspraak past de bestaande uitvoeringsregeling toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de immateriële schadevergoeding volgt standaardjurisprudentie. De zaak heeft beperkte precedentwerking buiten de directe context van GLB-subsidieaanvragen.
Belangrijkste punten
- 1GLB 2023 (Verordening 2021/2115) maakt het voor het eerst mogelijk landschapselementen op of grenzend aan landbouwareaal mee te tellen als subsidiabele hectaren.
- 2Boomgroepen met een maximale oppervlakte van 1,5 ha worden aangewezen als landschapselement op grond van artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, Uitvoeringsregeling GLB 2023.
- 3Het beroep van de maatschap dat de minister met twee maten meet, wordt door het College niet gehonoreerd.
- 4De Staat wordt veroordeeld tot € 500,- immateriële schadevergoeding, wat wijst op een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.
- 5De Nederlandse uitwerking van de GLB-verordening is gericht op behoud van landschapselementen ter bevordering van biodiversiteit en cultuurhistorisch landschap.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de Nederlandse uitvoeringssystematiek van het GLB 2023 voor landschapselementen en geeft duidelijkheid over de grenzen van subsidiabele oppervlakten. De toekenning van immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding is een standaard toepassing van vaste jurisprudentie.
Praktische impact
Landbouwers die landschapselementen zoals boomgroepen willen meenemen in hun subsidiabele hectaren moeten voldoen aan de grenzen van de Uitvoeringsregeling GLB 2023; de uitspraak biedt geen ruimere interpretatie dan de minister hanteert.
Onderwerp-impact
Voor de agrarische sector bevestigt deze uitspraak dat de beleidsruimte van de minister bij de uitvoering van het GLB 2023 beperkt rechterlijk toetsbaar is, ook wanneer een landbouwer inconsistentie in de beoordeling stelt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een geschil tussen een maatschap (landbouwer) en de minister over de subsidiabiliteit van landschapselementen, met name boomgroepen, onder het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023. Het GLB 2023, vastgelegd in Verordening (EU) 2021/2115, introduceert voor het eerst de mogelijkheid om landschapselementen op of grenzend aan landbouwareaal mee te tellen als subsidiabele hectaren. In de Nederlandse Uitvoeringsregeling GLB 2023 is dit nader uitgewerkt: boomgroepen met een maximale oppervlakte van 1,5 ha worden aangewezen als landschapselement. De maatschap betoogde dat de minister bij de beoordeling van de subsidiabiliteit inconsequent handelde en met twee maten mat. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verwerpt dit betoog en verklaart het beroep ongegrond. De rechter oordeelt dat de minister de Uitvoeringsregeling correct heeft toegepast en dat de Nederlandse invulling van de GLB-verordening in lijn is met de Europese kaders, die lidstaten uitdrukkelijk de ruimte geven om landschapselementen op een vereenvoudigde wijze mee te rekenen. Wel wordt de Staat veroordeeld tot betaling van € 500,- aan immateriële schadevergoeding aan de maatschap, hetgeen duidt op een overschrijding van de redelijke termijn voor afdoening van de procedure. Daarnaast wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van € 467,-. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking: zij bevestigt de bestaande beleids- en uitvoeringssystematiek zonder nieuwe rechtsnormen te formuleren. Voor de agrarische sector onderstreept de zaak dat de rechterlijke toetsing van de ministeriële uitvoering van het GLB 2023 terughoudend is, en dat inconsistentie in beoordeling moeilijk aantoonbaar is zolang de minister binnen de grenzen van de Uitvoeringsregeling blijft.