Verzet ongegrond: griffierecht opnieuw niet betaald
ECLI:NL:CBB:2026:493, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-10-2026, 25/736
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Art. 8:55 Awb: Verzet ongegrond
Kern van de zaak
Een burger (naam onbekend) stelde beroep in tegen een beslissing van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het beroep werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) betalen van griffierecht. De burger stelde vervolgens verzet in en gaf aan het griffierecht alsnog te willen betalen.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verklaart het verzet ongegrond, omdat het griffierecht ook na de verzetprocedure niet was voldaan. Doorslaggevend is dat de appellant geen nadere toelichting heeft gegeven waarom hij – ondanks zijn uitgesproken bereidwilligheid – het griffierecht niet heeft betaald, en dat er geen aanwijzing is dat hij niet in verzuim is geweest.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele uitspraak zonder inhoudelijke beoordeling en zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is in lijn met vaste jurisprudentie over griffierecht en verzet.
Belangrijkste punten
- 1Het beroep werd eerder niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van griffierecht (uitspraak 3 maart 2026).
- 2In het verzetschrift gaf appellant aan bereid te zijn griffierecht alsnog te betalen, maar deed dit ook vóór de zitting van 8 oktober 2026 niet.
- 3Op 4 oktober 2026 bleek het griffierecht nog steeds niet voldaan.
- 4Appellant is niet verschenen ter zitting en heeft geen nadere toelichting gegeven over de reden van niet-betaling.
- 5Het verzet is ongegrond verklaard; de zaak is daarmee definitief geëindigd zonder inhoudelijke behandeling.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de vaste lijn dat niet-betaling van griffierecht leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook in verzetprocedures, en dat een enkele bereidverklaring zonder daadwerkelijke betaling onvoldoende is om verzuim op te heffen.
Praktische impact
Voor appellant betekent dit dat zijn bezwaar van het college van B&W van Amsterdam definitief in stand blijft en niet inhoudelijk door de rechter is getoetst. Er is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Onderwerp-impact
De zaak onderstreept het belang van tijdige griffierechtbetaling in bestuursrechtelijke procedures bij de overheid; burgers die dit verzuimen lopen het risico hun zaak definitief te verliezen zonder inhoudelijke beoordeling.
Samenvatting
In deze zaak heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 13 oktober 2026 uitspraak gedaan in een verzetprocedure. De achtergrond is als volgt: een burger had beroep ingesteld tegen een beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 7 juli 2025. Dat beroep werd op 3 maart 2026 niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. De burger stelde vervolgens verzet in via een verzetschrift van 24 maart 2026, waarin hij aangaf bereid te zijn het griffierecht alsnog te betalen en zijn verhaal nader toe te willen lichten. De centrale juridische vraag in deze verzetprocedure was of de eerdere niet-ontvankelijkverklaring terecht was, en of de appellant kon aantonen dat hij niet in verzuim was geweest bij de betaling van het griffierecht. Het College stelde vast dat op 4 oktober 2026 – kort voor de zitting van 8 oktober 2026 – het griffierecht nog steeds niet was voldaan. Appellant is niet verschenen ter zitting en heeft ook in de verzetprocedure geen nadere toelichting gegeven over de reden waarom het griffierecht, ondanks zijn uitgesproken bereidheid, niet was betaald. Er was evenmin enige aanwijzing dat appellant niet in verzuim was geweest. Het College concludeert dat de eerdere uitspraak van 3 maart 2026 juist was en verklaart het verzet ongegrond. Dit heeft tot gevolg dat het beroep van appellant niet inhoudelijk wordt behandeld en de zaak definitief is geëindigd. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat een loutere bereidverklaring tot betaling van griffierecht onvoldoende is; daadwerkelijke betaling is vereist om niet-ontvankelijkheid te voorkomen.