GLB-subsidie maatschap deels toegewezen na heroverweging minister
ECLI:NL:CBB:2026:494, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 13-10-2026, 24/995
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)GLB 2023. Beroep ingesteld omdat oppervlakte percelen kleiner is vastgesteld dan opgegeven. Hangende beroep is de minister alsnog gedeeltelijk tegemoetgekomen.
Kern van de zaak
Een maatschap diende een aanvraag in voor GLB-betalingen (basispremie, eco-regeling e.d.) voor 2023, maar de minister wees de aanvraag gedeeltelijk af wegens kleinere gemeten percelen. De maatschap maakte bezwaar en stelde vervolgens beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven over de percelen 10 tot en met 28.
Beslissing van de rechter
Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard omdat de minister hangende beroep een nieuw besluit nam; het beroep tegen dat tweede besluit is ongegrond verklaard. Doorslaggevend is dat de maatschap niet reageerde op de vraag of zij haar beroep wilde handhaven en ook niet verscheen ter zitting, waaruit het College afleidde dat zij geen bezwaren had tegen het herziene besluit.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk-technische percelenmeetgeschil met een beperkt financieel belang; de juridische overwegingen zijn routinematig en stellen geen nieuwe rechtsregels.
Belangrijkste punten
- 1Minister kende alsnog € 633,33 extra toe en vergoedde bezwaarkosten na heroverweging in beroepsfase (artikel 6:19 Awb).
- 2Het beroep van rechtswege strekt zich uit tot het nieuwe besluit (bestreden besluit 2) nu niet volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen.
- 3De maatschap reageerde niet op de rechterlijke vraag en verscheen niet ter zitting, wat het College uitlegde als instemming met bestreden besluit 2.
- 4Perceel 24 volledig gehonoreerd, perceel 13 niet gehonoreerd, overige percelen gedeeltelijk gecorrigeerd.
- 5Minister veroordeeld tot vergoeding griffierecht (€ 371,-) en proceskosten (€ 934,-).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert de toepassing van artikel 6:19 Awb bij intrekking/wijziging van besluiten hangende beroep en bevestigt dat passiviteit van een appellant kan worden uitgelegd als gebrek aan bezwaar tegen een herstelbesluit.
Praktische impact
De maatschap ontvangt alsnog een aanvullende betaling van € 633,33 plus vergoeding van bezwaar- en beroepskosten, maar de oorspronkelijke gedeeltelijke afwijzing voor met name perceel 13 blijft in stand.
Onderwerp-impact
Voor agrariërs die GLB-subsidies aanvragen benadrukt deze zaak het belang van actieve procesdeelname: niet reageren op rechterlijke vragen kan leiden tot ongegrondverklaring van het beroep, ook als nog niet volledig aan het bezwaar is tegemoetgekomen.
Samenvatting
Een maatschap vroeg in 2023 GLB-subsidies aan bij de minister, waaronder de basispremie, de extra betaling voor de eerste 40 hectare, de extra betaling voor jonge landbouwers en de eco-regeling. De minister wees de aanvraag gedeeltelijk af omdat bij meting bleek dat de percelen 10 tot en met 28 kleiner waren dan opgegeven. Na ongegrondverklaring van het bezwaar stelde de maatschap beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Naar aanleiding van dat beroep beoordeelde de minister de percelen opnieuw en nam een nieuw besluit (bestreden besluit 2): voor perceel 24 werd volledig tegemoetgekomen, voor de meeste andere percelen gedeeltelijk, en voor perceel 13 niet. De minister kende alsnog € 633,33 toe en vergoedde de bezwaarproceskosten. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, Awb strekte het beroep van rechtswege mede uit tot dit nieuwe besluit, omdat niet volledig aan het bezwaar was tegemoetgekomen. Het College vroeg de maatschap of zij haar beroep wenste in te trekken of te handhaven. De maatschap reageerde niet en verscheen evenmin ter zitting. Het College leidde hieruit af dat de maatschap geen bezwaren had tegen het herziene besluit, en verklaarde het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond. Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit (bestreden besluit 1) werd niet-ontvankelijk verklaard, nu dat besluit was vervangen en de maatschap geen zelfstandig belang meer had bij beoordeling ervan. Ondanks de ongegrondverklaring werd de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 371,- en de proceskosten van € 934,-, omdat de heroverweging in beroep had geleid tot een gedeeltelijke tegemoetkoming.