Ontslag wegens bedrijfseconomische redenen bekrachtigd in hoger beroep
ECLI:NL:GHDHA:2026:2834, Gerechtshof Den Haag, 10-09-2026, 200.364.832/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Ontslag op de a-grond. Ontslagregeling. Geen uitwisselbare functie en dus geen grond voor toepassing afspiegelingsbeginsel.
Kern van de zaak
Een werknemer ([verzoeker]) die al drie jaar ziek was, vocht zijn ontslag aan na een door de werkgever verkregen ontslagvergunning bij het UWV wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De werknemer betwistte onder meer dat zijn functie als uitwisselbare functie moest worden aangemerkt en voerde aan dat zijn langdurige ziekte en het ontbreken van salariskosten een rol zouden moeten spelen bij de ontslagvolgorde.
Beslissing van de rechter
Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter van 12 november 2025 en wijst het verzoek van [verzoeker] af. Doorslaggevend is dat de functie van [verzoeker] niet als uitwisselbare functie in de zin van de Ontslagregeling kan worden aangemerkt, en de bedrijfseconomische grond (a-grond, art. 7:669 lid 3 sub a BW) voor het ontslag daarmee rechtsgeldig was.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele arbeidsrechtelijke zaak bij een gerechtshof die een kantonrechterbeschikking bekrachtigt zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de uitkomst is casuïstisch van aard en de uitspraaktekst is onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Partijen zijn het eens dat er gegronde bedrijfseconomische redenen waren voor de ontslagaanvraag bij UWV; dit staat niet meer ter discussie in hoger beroep.
- 2Het hof oordeelt dat de functie van verzoeker geen uitwisselbare functie is in de zin van de Ontslagregeling, wat gevolgen heeft voor de ontslagvolgorde.
- 3Het argument dat drie jaar ziekte en het ontbreken van salariskosten een rol zouden moeten spelen bij het ontslag, wordt door het hof behandeld maar leidt niet tot een ander oordeel.
- 4De kantonrechterbeschikking van 12 november 2025 wordt volledig bekrachtigd.
- 5Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, totaal € 3.609,- inclusief nakosten en wettelijke rente.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de Ontslagregeling rondom uitwisselbaarheid van functies bij bedrijfseconomisch ontslag en geeft invulling aan de a-grond van art. 7:669 lid 3 BW in de context van langdurig ziekte. De beslissing heeft beperkte precedentwerking als hofuitspraak in een individuele zaak.
Praktische impact
Voor [verzoeker] betekent de uitspraak dat zijn ontslag definitief in stand blijft en hij de proceskosten van beide partijen draagt. Werkgevers die een ontslagvergunning hebben verkregen bij UWV op bedrijfseconomische gronden, kunnen enige steun ontlenen aan dit oordeel bij vergelijkbare discussies over functie-uitwisselbaarheid.
Onderwerp-impact
In arbeidsrechtelijke ontslagprocedures onderstreept deze uitspraak het belang van een correcte functie-indeling en uitwisselbaarheidsanalyse bij bedrijfseconomisch ontslag, ook wanneer een werknemer langdurig ziek is.
Samenvatting
In deze zaak in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag staat de rechtmatigheid van het ontslag van [verzoeker] centraal. De werknemer was al drie jaar ziek en zijn werkgever had met succes een ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd op grond van bedrijfseconomische omstandigheden (de a-grond van artikel 7:669 lid 3 sub a BW). In de ontslagprocedure was tussen partijen niet langer in geschil dat er gegronde bedrijfseconomische redenen bestonden voor de ontslagronde. De kernvraag in hoger beroep was tweeërlei: ten eerste of de functie van [verzoeker] als uitwisselbare functie in de zin van de Ontslagregeling moest worden aangemerkt — wat gevolgen heeft voor de ontslagvolgorde — en ten tweede of de omstandigheid dat [verzoeker] al drie jaar ziek was en er geen salariskosten meer voor hem werden gemaakt, een rol diende te spelen bij de ontslagbeslissing. Het hof beantwoordt de eerste vraag ontkennend: de functie van [verzoeker] is geen uitwisselbare functie in de zin van de Ontslagregeling. Het argument over de ziekteduur en het ontbreken van salariskosten wordt eveneens door het hof behandeld, maar leidt niet tot een ander oordeel. Op basis hiervan bekrachtigt het hof de beschikking van de kantonrechter te Leiden van 12 november 2025 volledig. [Verzoeker] wordt tevens veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, vastgesteld op in totaal € 3.609,-, inclusief griffierecht, salaris advocaat, nakosten en wettelijke rente. De uitspraak is casuïstisch van aard en heeft beperkte bredere precedentwerking, maar bevestigt het belang van een zorgvuldige uitwisselbaarheidsanalyse bij bedrijfseconomisch ontslag.