Vordering Trading Affairs op Staat na vernieting inbeslaggenomen stoffen afgewezen
ECLI:NL:GHDHA:2026:2808, Gerechtshof Den Haag, 15-09-2026, 200.359.640
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Trading Affairs vordert op grond van artikel 119 lid 2 Wetboek van Strafvordering van de Staat vergoeding van de verkoopwaarde van in beslag genomen en vernietigde partijen nieuwe psychoactieve stoffen. Het hof wijst de vordering af omdat de partijen niet door de Staat verkocht hadden kunnen worden vanwege het feit dat zij op de lijst van verboden stoffen van de Opiumwet waren geplaatst. Daarom hadden zij geen verkoopwaarde.
Kern van de zaak
Trading Affairs vordert ruim €1,5 miljoen van de Staat op grond van artikel 119 lid 2 Sv, omdat inbeslaggenomen stoffen zijn vernietigd terwijl de strafzaken tegen haar zijn geseponeerd of beëindigd. De onderneming stelt recht te hebben op de prijs die de stoffen bij verkoop hadden opgebracht.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de vordering af en bekrachtigt het vonnis van de eerste aanleg; het hoger beroep van Trading Affairs slaagt niet. Doorslaggevend lijkt te zijn dat teruggave of uitbetaling in de gegeven omstandigheden niet aan de orde is, mede omdat de stoffen eerder ook al niet aan het verkeer werden onttrokken én teruggave maatschappelijk onverantwoord werd geacht gezien de aard van de stoffen.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk specifieke zaak over een vergoedingsvordering ex art. 119 lid 2 Sv in hoger beroep bij een gerechtshof; de beslissing bevestigt bestaand recht zonder nieuwe rechtsnormen te stellen en heeft beperkte precedentwerking buiten vergelijkbare gevallen met bijzondere stoffen.
Belangrijkste punten
- 1Grondslag vordering is artikel 119 lid 2 Sv: uitbetaling van de prijs die het voorwerp bij verkoop redelijkerwijze zou hebben opgebracht indien teruggave na machtiging ex art. 117 lid 2 Sv niet meer mogelijk is
- 2Trading Affairs baseert haar schadeclaim van €1.525.320,57 op de gemiddelde verkoopprijs van de stoffen in de periode 2021-2024 volgens eigen administratie
- 3De strafzaken tegen Trading Affairs zijn geseponeerd dan wel beëindigd, waarna het strafvorderlijk belang bij het beslag volgens haar is komen te vervallen
- 4In twee eerdere beslissingen werd onttrekking aan het verkeer afgewezen maar ook teruggave geweigerd omdat dit maatschappelijk onverantwoord zou zijn gezien de aard van de stoffen
- 5Trading Affairs wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op ruim €26.800 (griffierecht + salaris advocaat tarief VIII)
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de grenzen van de vergoedingsplicht ex artikel 119 lid 2 Sv: de enkele omstandigheid dat een strafzaak is geseponeerd en het beslag is beëindigd via machtiging tot vernietiging, leidt niet automatisch tot een uitbetalingsrecht wanneer teruggave ook zelfstandig maatschappelijk onverantwoord zou zijn geweest. De aard van de inbeslaggenomen stoffen kan zowel aan teruggave als aan vergoeding in de weg staan.
Praktische impact
Voor Trading Affairs betekent de uitspraak dat de vordering van ruim €1,5 miljoen definitief niet wordt gehonoreerd en zij bovendien de proceskosten in hoger beroep draagt. Ondernemingen die inbeslaggenomen goederen van bijzondere of gevaarlijke aard zien vernietigen, kunnen niet zonder meer terugvallen op de vergoedingsregeling van art. 119 lid 2 Sv.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt ondernemingen die handelen in stoffen die strafrechtelijk in beslag worden genomen; zij worden geconfronteerd met het risico dat noch teruggave noch financiële compensatie volgt wanneer de aard van de stoffen zowel aan vernietiging als aan teruggave en uitbetaling in de weg staat.
Samenvatting
Trading Affairs vorderde in hoger beroep bij het Gerechtshof Den Haag een bedrag van ruim €1,5 miljoen van de Staat. De grondslag daarvoor was artikel 119 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van deze bepaling heeft een rechthebbende recht op uitbetaling van de prijs die een inbeslaggenomen voorwerp bij verkoop zou hebben opgebracht, indien de bewaarder niet aan een last tot teruggave kan voldoen omdat de bewaring overeenkomstig een machtiging op grond van artikel 117 lid 2 Sv is beëindigd. Trading Affairs stelde dat de strafzaken tegen haar waren geseponeerd dan wel beëindigd, waarmee het strafvorderlijk belang bij het beslag was komen te vervallen. Nu de inbeslaggenomen stoffen inmiddels waren vernietigd na een daartoe verleende machtiging van het openbaar ministerie, meende zij aanspraak te kunnen maken op de verkoopwaarde ervan, gebaseerd op haar eigen administratie over de periode 2021-2024. Het hof volgde dit betoog niet en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Uit de overwegingen blijkt dat in eerdere beslissingen, hoewel vorderingen tot onttrekking aan het verkeer waren afgewezen, tevens een last tot teruggave was geweigerd op de grond dat teruggave maatschappelijk onverantwoord zou zijn gezien de aard van de stoffen. Het hof acht het hoger beroep ongegrond. De conclusie is dat de aard van de stoffen niet alleen aan teruggave in de weg stond, maar kennelijk ook aan het recht op financiële compensatie via artikel 119 lid 2 Sv. Trading Affairs wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, begroot op griffierecht van €13.608 en salaris advocaat van €13.218 op basis van twee punten tegen tarief VIII.