Dwangsom omgangsregeling Iraans stel bekrachtigd in hoger beroep
ECLI:NL:GHDHA:2026:2491, Gerechtshof Den Haag, 21-07-2026, 200.360.409/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Hoger beroep van een vonnis van de voorzieningenrechter, na tien maanden na het betreden vonnis is er nog steeds een belang in hoger beroep, met betrekking tot de dwangsom die de voorzieningenrechter had opgelegd.
Kern van de zaak
Een Iraans stel in Nederland procedeert over de zorgregeling voor hun minderjarige kinderen. De man ging in hoger beroep tegen een vonnis van de voorzieningenrechter Den Haag (11 september 2025), waarbij hij zich uiteindelijk nog uitsluitend verzette tegen de aan de zorgregeling verbonden dwangsom. De vrouw wenste bekrachtiging van het vonnis inclusief de dwangsom.
Beslissing van de rechter
Het gerechtshof Den Haag bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelt de man in de proceskosten. De doorslaggevende reden is dat de man zijn overige grieven en vorderingen tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken, en het hof de opgelegde dwangsom handhaaft omdat deze gerechtvaardigd blijft ondanks de inmiddels goed verlopende zorgregeling.
Impactscore
LaagHet betreft een kort-gedingappel in een individuele familierechtelijke zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is sterk casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking buiten de betrokken partijen.
Belangrijkste punten
- 1De man trok tijdens de mondelinge behandeling alle grieven en vorderingen in, behalve die tegen de dwangsom, waardoor het hof alleen over de dwangsom oordeelde.
- 2De zorgregeling wordt sinds het bestreden vonnis naar tevredenheid van beide partijen nageleefd, hetgeen niet afdeed aan de instandhouding van de dwangsom.
- 3De Nederlandse rechter is bevoegd op grond van artikel 7 Brussel II-ter, nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
- 4Nederlands recht is van toepassing nu geen van partijen daartegen bezwaar heeft gemaakt, ondanks de Iraanse nationaliteit van beide partijen.
- 5Het schorsingsincident van de man werd afgewezen wegens gebrek aan belang, nu het gelijktijdig met de hoofdzaak werd behandeld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een dwangsom verbonden aan een omgangsregeling in kort geding in stand kan blijven, ook wanneer de regeling inmiddels feitelijk goed wordt nageleefd. De bevoegdheidsgrondslag via Brussel II-ter voor internationale familiezaken wordt correct toegepast.
Praktische impact
De man blijft gebonden aan de dwangsom en wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, ondanks de positieve ontwikkeling in de nakoming van de zorgregeling. Voor de vrouw en de kinderen biedt dit continuïteit en een financieel drukmiddel voor de toekomst.
Onderwerp-impact
In internationale familiezaken met ouders van niet-EU-nationaliteit benadrukt deze uitspraak het belang van het vaststellen van rechtsmacht en toepasselijk recht als eerste stap, en toont dat Nederlandse rechters actief handhavingsinstrumenten zoals dwangsommen inzetten bij omgangsregelingen.
Samenvatting
In deze familierechtelijke zaak in hoger beroep oordeelde het Gerechtshof Den Haag op 21 juli 2026 over een geschil tussen twee Iraanse ouders wonend in Nederland. De zaak betrof in essentie de vraag of aan de omgangsregeling met hun minderjarige kinderen terecht een dwangsom was verbonden door de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag in een kortgedingvonnis van 11 september 2025. Het hof stelde vooraf vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van artikel 7 van Brussel II-ter, omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Nu partijen geen bezwaar maakten tegen toepassing van Nederlands recht, ging het hof daar ook van uit. Tijdens de mondelinge behandeling op 28 mei 2026 bleek dat de zorgregeling inmiddels zonder problemen werd nageleefd en dat beide partijen daar tevreden over waren. De advocaat van de man trok daarop alle grieven en vorderingen in, met uitzondering van de grief gericht tegen de opgelegde dwangsom. Daarmee restte het hof slechts één geschilpunt. De man stelde zich ook in hoger beroep op het standpunt dat het verbinden van een dwangsom aan de nakoming van de zorgregeling niet gerechtvaardigd was. Het hof volgde dit standpunt niet en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter. Het schorsingsincident dat de man had ingesteld, werd afgewezen wegens gebrek aan belang nu het gelijktijdig met de hoofdzaak werd behandeld. De man werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. De uitspraak heeft een beperkte juridische impact: zij bevestigt bestaande praktijk rondom dwangsommen in omgangszaken en past standaard IPR-regels toe, zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden.