Noodwegvordering perceel zonder toegang tot openbare weg
ECLI:NL:GHDHA:2026:2480, Gerechtshof Den Haag, 04-08-2026, 200.338.922/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Geen noodweg ex artikel 5:7 BW; niet voldoende ontderbouwd dat het perceel en de appartementen niet behoorlijk kunnen worden geëxploiteerd zonder noodweg; gesteld noch gebleken dat de omgevingsvergunning zou worden ingetrokken zonder noodweg.
Kern van de zaak
Eigenaar van een ingesloten perceel (appellant) vordert aanwijzing van een noodweg via de uitrit van buren (geïntimeerden) op grond van artikel 5:57 BW. Het perceel heeft vier appartementen waarvoor een omgevingsvergunning drie parkeerplaatsen op eigen terrein vereist, maar het bestaande pad is te smal voor autoverkeer naar de openbare weg.
Beslissing van de rechter
Het hof beoordeelt in hoger beroep of de noodwegvordering toewijsbaar is; de doorslaggevende vraag is of een behoorlijke exploitatie van het ingesloten perceel zonder noodweg mogelijk is. Op basis van de beschikbare tekst lijkt het hof de vordering inhoudelijk te beoordelen aan de hand van het exploitatiecriterium uit de Hoge Raad-jurisprudentie, waarbij het verplichte parkeervoorschrift een centrale rol speelt (de uitkomst is op basis van het gefragmenteerde vonnis niet met zekerheid vast te stellen).
Impactscore
LaagHet betreft een feitenrechtelijke toepassing van vaste Hoge Raad-jurisprudentie over artikel 5:57 BW in een individueel burenrechtelijk geschil; er worden geen nieuwe rechtsnormen geformuleerd en de uitspraak heeft beperkte precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 5:57 lid 1 BW geeft eigenaar van ingesloten erf het recht te allen tijde aanwijzing van een noodweg te vorderen van naburige eigenaars.
- 2Maatstaf is of behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf bij normale bestemming zonder noodweg niet mogelijk is.
- 3Aan de omgevingsvergunning voor vier appartementen is het voorschrift verbonden dat drie parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd én in stand gehouden moeten worden.
- 4Het bestaande pad is te smal voor autoverkeer, waardoor de aanwezige parkeerplaatsen zonder ontsluiting via de uitrit van geïntimeerden geen bruikbare functie vervullen.
- 5De exploitatiebelemmering is mede veroorzaakt door een publiekrechtelijk voorschrift (omgevingsvergunning), wat de noodzaak van de noodweg mede onderbouwt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert hoe een publiekrechtelijk parkeervoorschrift in een omgevingsvergunning privaatrechtelijk doorwerkt als onderbouwing voor de noodzaak van een noodweg ex artikel 5:57 BW. Dit raakt de wisselwerking tussen omgevingsrecht en burenrecht.
Praktische impact
Voor appellant betekent een toegewezen noodweg dat de gerealiseerde parkeerplaatsen daadwerkelijk bruikbaar worden voor bewoners van de appartementen; voor geïntimeerden betekent het een gedwongen gedogen van verkeersgebruik over hun uitrit.
Onderwerp-impact
In vastgoedexploitaties waarbij omgevingsvergunningen parkeernormen op eigen terrein opleggen, kan een feitelijk ingesloten situatie via het noodwegrecht worden opgelost, wat relevant is voor projectontwikkelaars en appartementseigenaren.
Samenvatting
In deze procedure bij het Gerechtshof Den Haag staat centraal of aan de eigenaar van een ingesloten perceel een noodweg moet worden aangewezen via de uitrit van de naburige percelen. De rechtsbasis is artikel 5:57 lid 1 BW, op grond waarvan de eigenaar van een erf zonder behoorlijke toegang tot de openbare weg te allen tijde aanwijzing van een noodweg kan vorderen van naburige eigenaars. Conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de centrale vraag of een behoorlijke exploitatie van het ingesloten erf — bij de normale bestemming die het heeft — zonder die noodweg mogelijk is. Appellant is eigenaar van een perceel waarop vier appartementen zijn gerealiseerd. Aan de omgevingsvergunning voor die appartementen is na een bezwaarprocedure het voorschrift verbonden dat op eigen terrein drie parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd en in stand gehouden. Appellant heeft inmiddels vijf parkeerplaatsen aangelegd, maar het bestaande pad dat het perceel met de openbare weg verbindt, is te smal voor autoverkeer. Daarmee zijn de parkeerplaatsen feitelijk niet bruikbaar, tenzij toegang wordt verkregen via de uitrit van geïntimeerden. Appellant stelt dat een behoorlijke exploitatie van het perceel — met het publiekrechtelijk voorgeschreven gebruik van parkeerplaatsen op eigen terrein — zonder noodweg niet mogelijk is. Geïntimeerden betwisten dit. Het hof toetst aan het exploitatiecriterium en betrekt daarbij het concrete parkeervoorschrift uit de omgevingsvergunning als onderdeel van de normale bestemming van het perceel. De zaak laat zien hoe publiekrechtelijke vergunningvoorschriften privaatrechtelijk kunnen doorwerken bij de beoordeling van noodwegvorderingen. Voor vastgoedpraktijk en projectontwikkeling is relevant dat parkeernormen in omgevingsvergunningen mede kunnen bepalen of een perceel als 'ingesloten' in de zin van artikel 5:57 BW moet worden aangemerkt. De uitkomst van de beoordeling is op basis van het beschikbare fragment niet met zekerheid vast te stellen.