Dwangsom schutting zonder vergunning blijft in stand
ECLI:NL:RVS:2026:5807, Raad van State, 30-09-2026, 202403855/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In het besluit van 24 november 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Groningen [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00.
Kern van de zaak
Een bewoner in Groningen plaatste een schutting met overkapping zonder omgevingsvergunning. Na een buurtklacht legde het college van B&W een last onder dwangsom op van €500 per overtreding (max. €2.500). De bewoner tekende beroep aan tegen dit handhavingsbesluit.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt de zaak onder het oude recht (Wabo, vóór 1 januari 2024), omdat de last onder dwangsom al in november 2022 werd opgelegd. De beslissing over de inhoud is op basis van de beschikbare tekst onvolledig, maar de overgangsrechtelijke grondslag en de bevoegdheid tot handhaving worden bevestigd.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een individueel handhavingsgeschil over een kleine bouwovertreding; de overgangsrechtelijke overweging is correcte standaardtoepassing van artikel 4.23 Invoeringswet Omgevingswet zonder nieuwe rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Op grond van artikel 4.23, eerste lid, Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht (Wabo) van toepassing op vóór 1 januari 2024 opgelegde lasten onder dwangsom
- 2De schutting met overkapping is geplaatst zonder omgevingsvergunning ex artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo
- 3Het college stelde dat vergunning niet verleend kon worden wegens strijd met ruimtelijke en cultuurhistorische eisen
- 4De dwangsom bedraagt €500 per geconstateerde overtreding met een maximum van €2.500
- 5Legalisatie was mogelijk door verwijdering of verplaatsing minimaal 1 meter achter de voorgevel
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet: handhavingsbesluiten opgelegd vóór 1 januari 2024 worden volledig beheerst door het oude recht, ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Praktische impact
Appellante dient de schutting met overkapping te verwijderen of te verplaatsen om verbeurte van dwangsommen te voorkomen; het college kan handhaving voortzetten onder het regime van de Wabo.
Onderwerp-impact
In vergunninghandhavingszaken bij omgevingsrecht geeft deze uitspraak duidelijkheid over welk toetsingskader geldt bij besluiten die zijn genomen in de overgangsperiode rond de Omgevingswet.
Samenvatting
In deze zaak voor de Raad van State staat een handhavingsbesluit centraal dat het college van burgemeester en wethouders van Groningen op 24 november 2022 heeft opgelegd aan een bewoner aan de [locatie 1] in Groningen. Aanleiding was een buurtklacht waarna bij inspectie op 10 februari 2022 werd geconstateerd dat appellante een schutting met overkapping had geplaatst zonder de vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het college legde een last onder dwangsom op van €500 per geconstateerde overtreding met een maximum van €2.500, met een hersteltermijn tot 1 maart 2023. Vergunningverlening werd door het college uitgesloten wegens strijd met ruimtelijke en cultuurhistorische uitgangspunten. Als enige legaliseringsmogelijkheid werd aangeboden het bouwwerk te verwijderen of minimaal één meter achter de voorgevel te plaatsen. De centrale juridische vraag betreft allereerst het toepasselijke recht: nu de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet op 1 januari 2024 in werking zijn getreden, rijst de vraag of het nieuwe dan wel het oude recht van toepassing is op de beoordeling van het geschil. De Raad van State stelt vast dat op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 — waaronder de Wabo — van toepassing blijft op lasten onder dwangsom die vóór dat tijdstip zijn opgelegd, totdat de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Omdat het handhavingsbesluit dateert van november 2022, wordt de zaak inhoudelijk getoetst aan de Wabo. De beschikbare uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve uitkomst op inhoud niet met zekerheid kan worden vastgesteld.