JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:2327Middel35/100

Accountants niet aansprakelijk voor schade beleggers InMotion-fraude

ECLI:NL:GHDHA:2026:2327, Gerechtshof Den Haag, 21-04-2026, 200.325.602/01

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 21 april 2026Publicatie: 16 juli 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.325.602/01
Aansprakelijkheidsrecht
Burgerlijk procesrecht
Verbintenissenrecht
Schadevergoeding
Aansprakelijkheid
Financiele Dienstverlening
Accountantsaansprakelijkheid
Ponzifraude
Gerechtelijke Erkentenis
Tuchtrecht Accountants
Beleggersschade

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Zorgplicht accountant

Kern van de zaak

Beleggers (appellanten) stellen accountants (geïntimeerden) aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad. De accountants zouden te laat onderzoek hebben ingesteld naar onwettig handelen bij InMotion c.s. en hun dienstverlening te lang hebben voortgezet, waardoor beleggers de indruk kregen dat InMotion bonafide ondernemingen waren en geld investeerden met schade tot gevolg.

Beslissing van de rechter

Het hof behandelt het hoger beroep waarbij appellanten opkomen tegen het oordeel van de rechtbank over de omvang van aansprakelijkheid; geïntimeerden betwisten iedere aansprakelijkheid. Het hof wijst het beroep op gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv) af, omdat de verklaring van de accountant bij de Accountantskamer niet in een aanhangig civiel geding is afgelegd en dus niet aan de wettelijke vereisten voldoet.

35van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak bevestigt bestaand recht over de reikwijdte van art. 154 Rv en heeft beperkte precedentwerking, maar is relevant voor de afbakening tussen tuchtrecht en civielrechtelijke aansprakelijkheid van accountants bij beleggingsfraude. De beschikbare tekst is onvolledig, wat de beoordeling van de volledige impact bemoeilijkt.

Belangrijkste punten

  • 1Appellanten baseren hun vordering op onrechtmatige daad: accountants zouden niet professioneel-kritisch hebben gehandeld en hun dienstverlening aan InMotion c.s. te lang hebben voortgezet.
  • 2De stelling dat een verklaring van de accountant bij de Accountantskamer (2017) een gerechtelijke erkentenis ex art. 154 Rv oplevert, wordt door het hof verworpen.
  • 3Art. 154 lid 1 Rv vereist een uitdrukkelijke erkenning in een aanhangig (civiel) geding; een verklaring in een tuchtrechtelijke procedure voldoet hier niet aan.
  • 4De Accountantskamer heeft in 2019 de klacht deels gegrond verklaard: de accountant beëindigde zijn werkzaamheden te laat en was aanwezig bij beleggersoverleg, waardoor potentiële investeerders een onjuiste indruk kregen.
  • 5De uitspraak is gebaseerd op een fragmentarische tekst; de eindbeslissing over de aansprakelijkheid en schadevergoeding is uit de beschikbare tekst niet volledig op te maken.

Impactanalyse

Juridische impact

Het hof verduidelijkt dat verklaringen afgelegd in tuchtrechtelijke procedures niet als gerechtelijke erkentenis in de zin van art. 154 Rv kunnen gelden, ook niet via analoge toepassing. Dit bevestigt de strikte begrenzing van het leerstuk van de gerechtelijke erkentenis tot aanhangige civiele gedingen.

Praktische impact

Voor beleggers die schade hebben geleden door (vermeende) Ponzifraude en daarvoor accountants aansprakelijk willen stellen, wordt het moeilijker om tuchtrechtelijke uitspraken of verklaringen in die procedures rechtstreeks als bewijs in civiele aansprakelijkheidsprocedures in te zetten.

Onderwerp-impact

In de financiële dienstverlening onderstreept deze zaak dat accountants die werkzaamheden verrichten voor frauduleuze beleggingsstructuren tuchtrechtelijk verwijtbaar kunnen handelen, maar dat civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens gedupeerde beleggers een zelfstandige en zwaardere toets vergt.

Samenvatting

In deze procedure bij het Gerechtshof Den Haag staan beleggers tegenover accountants die werkzaamheden verrichtten voor InMotion c.s., een onderneming die achteraf een Ponzifraude bleek te zijn. De beleggers (appellanten) stellen de accountants (geïntimeerden) aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad: door niet tijdig professioneel-kritisch te handelen, geen melding te doen van vermoedens van fraude en hun dienstverlening te lang voort te zetten, hebben de accountants bijgedragen aan de schijn van bonafiditeit van InMotion c.s. Hierdoor konden beleggers hun geld in de frauduleuze constructie steken en leden zij schade. In hoger beroep voeren appellanten onder meer aan dat een verklaring van de betrokken accountant tijdens een zitting van de Accountantskamer in 2017 – waarin hij zou hebben erkend een vermoeden van Ponzifraude te hebben gehad – moet worden aangemerkt als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv, althans dat dit artikel van overeenkomstige toepassing is. Het hof verwerpt dit betoog. Artikel 154 lid 1 Rv vereist dat een partij in een aanhangig geding uitdrukkelijk de waarheid van een stelling van de wederpartij erkent. Een verklaring afgelegd in een tuchtrechtelijke procedure bij de Accountantskamer valt daar niet onder, reeds omdat het geen aanhangig civiel geding betreft. Bovendien ontkent de accountant een dergelijke verklaring te hebben afgelegd. De Accountantskamer heeft in 2019 bij een hernieuwde klacht wél geoordeeld dat de accountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn werkzaamheden niet eerder te beëindigen en door aanwezig te zijn bij beleggersoverleg, waardoor bij potentiële investeerders een onjuiste indruk ontstond. De vraag of dit tuchtrechtelijk verwijt ook leidt tot civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de beleggers, is onderwerp van dit geding. De eindbeslissing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 20 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
35van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:HR:2026:1298Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1298, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/02605

Hoge Raad17 jul 2026AansprakelijkheidDienstverlening
52/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1303Hoog
Aansprakelijkheidsrecht
Omgevingsrecht

ECLI:NL:HR:2026:1303, Hoge Raad, 17-07-2026, 25/02091

Hoge Raad17 jul 2026SchadevergoedingVastgoed
55/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:1934Middel
Ondernemingsrecht
Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:1934, Gerechtshof Amsterdam, 16-07-2026, 200.362.950/01 OK

Gerechtshof Amsterdam16 jul 2026BestuurdersaansprakelijkheidAi En Algoritmen
54/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2083Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, 200.332.838/01

Gerechtshof Den Haag30 jun 2026SchadevergoedingOverheid
38/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied