Hof beoordeelt aansprakelijkheid bij Lankaanse interlandelijke adoptie 1984-1986
ECLI:NL:GHDHA:2026:2304, Gerechtshof Den Haag, 09-06-2026, 200.336.873/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Geen onrechtmatig handelen overheid bij totstandkoming buitenlandse adoptie; ook geen onrechtmatig handelen bij screening adoptiegezin en in periode erna
Kern van de zaak
Een geadopteerde vrouw (appellante) heeft de Nederlandse Staat en/of betrokken instanties aangesproken in verband met onregelmatigheden rond haar adoptie uit Sri Lanka in de periode 1984-1986. Zij stelt dat de adoptieprocedure destijds niet voldeed aan de vereiste zorgvuldigheidsnormen ter bescherming van het kind.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is op basis van het beschikbare tekstfragment onvolledig; het hof laat nieuwe grieven buiten beschouwing en beoordeelt de zaak in hoger beroep op het juridische kader van 1984-1986. Een definitieve beslissing (toewijzing of afwijzing) kan niet met zekerheid worden vastgesteld uit het aangeleverde fragment.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een individuele adoptieprocedure maar raakt een breder maatschappelijk en juridisch debat over interlandelijke adoptie en overheidsaansprakelijkheid; de impact blijft beperkt doordat het tekstfragment onvolledig is en geen definitieve beslissing bevat.
Belangrijkste punten
- 1Adoptie is in het Nederlandse recht een kinderbeschermingsmaatregel in het belang van het kind, niet van de adoptanten (art. 1:227-1:229 BW oud).
- 2Ten tijde van de adoptie (1984-1986) was de voorafgaande adoptieprocedure niet wettelijk geregeld, maar slechts vastgelegd in een nota aan de Tweede Kamer van 9 mei 1980.
- 3Buitenlandse adopties werden aanvankelijk niet erkend in Nederland; het kind moest na een verblijfsperiode opnieuw worden geadopteerd door de Nederlandse rechter.
- 4Het hof laat nieuwe grieven die pas in een laat processtuk zijn aangevoerd buiten beschouwing.
- 5Het ontbreken van een wettelijke regeling voor de vooradoptieprocedure is relevant voor de beoordeling van aansprakelijkheid en zorgvuldigheidsnormen.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt het juridische kader dat gold bij interlandelijke adopties in de jaren tachtig en de vraag in hoeverre het ontbreken van wettelijke regulering van de vooradoptieprocedure rechtsgevolgen heeft voor aansprakelijkheidsvragen. Dit is relevant voor vergelijkbare adoptieprocedures uit dezelfde periode.
Praktische impact
Voor interlandelijk geadopteerden die vragen hebben over de rechtmatigheid van hun adoptie biedt de zaak inzicht in de beoordelingsmaatstaven die de rechter hanteert voor historische adoptieprocedures. Nieuwe grieven die te laat worden ingediend worden niet meer meegewogen.
Onderwerp-impact
De uitspraak raakt de positie van interlandelijk geadopteerden die rechtsbescherming zoeken wegens onregelmatigheden in hun adoptieprocedure, een maatschappelijk gevoelig thema dat ook beleidsmatig actueel is na het rapport over misstanden bij interlandelijke adopties.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof Den Haag over een interlandelijke adoptie uit Sri Lanka die heeft plaatsgevonden in de periode 1984-1986. De appellante, de geadopteerde zelf, heeft de zaak aanhangig gemaakt en stelt vermoedelijk dat haar adoptie gepaard is gegaan met onregelmatigheden die hadden moeten worden voorkomen. Het hof schetst allereerst het juridische kader dat gold ten tijde van de adoptie. Adoptie was in het Nederlandse recht van oudsher uitsluitend bedoeld als kinderbeschermingsmaatregel ten behoeve van het kind, niet als instrument voor aspirant-adoptieouders die een kind wensen. De toepasselijke wettelijke bepalingen (artikelen 1:227-1:229 BW oud) stelden strenge voorwaarden, waaronder het vereiste dat de adoptie kennelijk in het belang van het kind was, dat de biologische ouders niet bezwaar maakten, en dat de aspirant-adoptieouders het kind al ten minste een jaar hadden verzorgd. Omdat buitenlandse adopties aanvankelijk niet in Nederland werden erkend, moesten kinderen na aankomst in Nederland opnieuw worden geadopteerd via de Nederlandse rechter. Opmerkelijk is dat de procedure voorafgaand aan de adoptie in de jaren tachtig niet wettelijk was geregeld; de regels waren slechts neergelegd in een ambtelijke nota uit 1980. Dit gegeven is juridisch relevant bij de beoordeling of de betrokken instanties destijds voldoende zorgvuldig hebben gehandeld. Het hof laat nieuwe grieven die pas in een laat processtuk zijn ingediend buiten beschouwing. Het beschikbare tekstfragment is onvolledig, waardoor de uiteindelijke beslissing van het hof op basis van dit stuk niet kan worden vastgesteld. De zaak past in een bredere reeks van juridische procedures door interlandelijk geadopteerden naar aanleiding van het maatschappelijke debat over misstanden bij interlandelijke adopties.