Unirice valt onder verplicht bedrijfspensioenfonds graanindustrie
ECLI:NL:GHDHA:2026:2086, Gerechtshof Den Haag, 07-07-2026, 200.306.175/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)uitleg werkingssfeerbepaling verplicht gesteld pensioenfonds
Kern van de zaak
Pensioenfonds vordert een verklaring voor recht dat Unirice Nederland onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit voor de graan be- en verwerkende industrie viel. De zaak draait om de uitleg van de werkingssfeerbepaling: welk criterium bepaalt of een onderneming 'uitsluitend of in hoofdzaak' in die sector opereert. De partijen twisten over de vraag of naast het werknemerscriterium ook omzetcriteria mogen meewegen.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart voor recht dat Unirice onder de verplichtstelling viel voor de periode 1 september 2008 tot 1 mei 2013; de proceskosten worden gecompenseerd. Doorslaggevend is dat de werkingssfeerbepaling uitsluitend het werknemerscriterium als maatstaf kent en de tekst geen ruimte biedt om op andere gronden — zoals omzetaandeel — te concluderen dat een onderneming binnen de werkingssfeer valt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een sectorspecifiek geschil over de uitleg van een verplichtstellingsbesluit en heeft beperkte reikwijdte buiten de graanindustrie, maar is relevant voor alle werkgevers met vergelijkbare meerstaps-activiteiten die worden geconfronteerd met werkingssfeerdiscussies bij bedrijfstakpensioenfondsen.
Belangrijkste punten
- 1Uitleg verplichtstellingsbesluit geschiedt puur op basis van de tekst, bij gebreke van officiële toelichting of andere aanwijzingen omtrent de bedoeling.
- 2Het hof verwerpt de redenering van de kantonrechter dat ook het omzetcriterium als alternatieve grond kan dienen voor de werkingssfeerbepaling.
- 3Alleen de betrokkenheid van werknemers bij de graan be- en verwerkende industrie is bepalend voor de werkingssfeer.
- 4Toepassing van andere gronden dan het werknemerscriterium is niet nodig om onaannemelijke rechtsgevolgen te voorkomen.
- 5De proceskosten worden gecompenseerd, wat duidt op een gemengde uitkomst dan wel een principieel geschil waarbij geen partij volledig in het gelijk wordt gesteld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat bij de uitleg van verplichtstellingsbesluiten — bij gebrek aan toelichting — de tekstuele methode prevaleert en aanvullende criteria zoals omzet niet mogen worden ingelezen. Dit sluit aan bij HR 21 december 2018 en HR 22 mei 2026 over werkingssfeerbepaling van verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen.
Praktische impact
Unirice en vergelijkbare ondernemingen in de voedingsindustrie moeten voor de kwalificatie als verplicht aangesloten werkgever uitsluitend rekening houden met het aandeel werknemers dat in de betreffende bedrijfstak werkzaam is, niet met omzetverhoudingen. Dit kan leiden tot (na)heffingen over een langere periode.
Onderwerp-impact
Voor de graan be- en verwerkende industrie en aangrenzende sectoren met een verplicht bedrijfstakpensioenfonds biedt de uitspraak duidelijkheid over het exclusieve karakter van het werknemerscriterium bij de bepaling van de werkingssfeer.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag staat centraal of Unirice Nederland in de periode 1 september 2008 tot 1 mei 2013 viel onder het verplichtstellingsbesluit voor het bedrijfspensioenfonds van de graan be- en verwerkende industrie. Het pensioenfonds vorderde een verklaring voor recht; Unirice betwistte dit. De rechtsvraag spitst zich toe op de uitleg van de werkingssfeerbepaling in het verplichtstellingsbesluit: is naast het klassieke werknemerscriterium (het aandeel werknemers dat in de betreffende bedrijfstak werkzaam is) ook een omzetcriterium toelaatbaar als grondslag om een onderneming binnen de werkingssfeer te brengen? De kantonrechter had geoordeeld dat de werkingssfeerbepaling voldoende ruimte liet om ook op basis van omzetaandelen te concluderen dat een onderneming 'uitsluitend of in hoofdzaak' in de graanindustrie actief is. Het hof gaat hier uitdrukkelijk niet in mee. Bij gebrek aan een officiële toelichting op het verplichtstellingsbesluit of andere aanwijzingen omtrent de bedoeling van de regelgever, moet worden aangesloten bij de tekst van het besluit zelf. Die tekst laat geen ruimte voor andere gronden dan de betrokkenheid van werknemers. Bovendien is het hanteren van aanvullende criteria niet noodzakelijk om onaannemelijke rechtsgevolgen te voorkomen. Het hof verklaart voor recht dat Unirice in de genoemde periode onder de verplichtstelling viel en compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt. De uitspraak bevestigt de tekstuele uitlegmethode bij verplichtstellingsbesluiten en sluit aan bij de lijn van de Hoge Raad (HR 21 december 2018 en HR 22 mei 2026). Voor werkgevers in vergelijkbare sectoren betekent dit dat uitsluitend de werknemerssamenstelling — en niet de omzetstructuur — bepalend is voor de vraag of zij verplicht zijn aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds.