Hof beoordeelt bevoegdheid in CAO-ontwijkingszaak tegen Tsjechisch transportbedrijf
ECLI:NL:GHDHA:2026:2084, Gerechtshof Den Haag, 07-07-2026, 200.340.589/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)internationaal wegvervoer, ipr, bevoedheid Nederlandse rechter, toepasselijk recht, gewoonlijk werkland, kennelijk nauwere band, cao van toepassing? inzagevordering
Kern van de zaak
FNV en chauffeurs stellen dat Wemmers BV via een concernconstructie met Wemmers GmbH en het Tsjechische Unitrans Nederlandse CAO-verplichtingen ontwijkt. In eerste aanleg zijn vorderingen ingesteld tegen zowel het Nederlandse Wemmers BV als het Tsjechische Unitrans. Unitrans betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
Beslissing van de rechter
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen tegen Unitrans op grond van art. 8 lid 1 Brussel I bis, nu de vorderingen dezelfde feitelijke grondslag hebben als die tegen het in Nederland gevestigde Wemmers BV. De doorslaggevende reden is de samenhang tussen de vorderingen binnen de gestelde concernconstructie.
Impactscore
MiddelDe uitspraak betreft een bevoegdheidsoordeel in een feitelijk specifieke concernzaak en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel, maar heeft relevantie voor vergelijkbare grensoverschrijdende CAO-handhavingszaken in de transportsector.
Belangrijkste punten
- 1Nederlandse rechter is bevoegd ten aanzien van het in Nederland gevestigde Wemmers BV op grond van art. 4 lid 1 Brussel I bis
- 2Bevoegdheid ten aanzien van Tsjechisch Unitrans wordt gebaseerd op de pluraliteit-van-verweerders-regel van art. 8 lid 1 Brussel I bis
- 3Vorderingen tegen Unitrans en Wemmers BV zijn niet identiek maar hebben dezelfde feitelijke grondslag: de gestelde CAO-ontwijkingsconstructie
- 4Het hof maakt onderscheid tussen het begrip 'gewone werkland' in art. 21 lid 1 sub b Brussel I bis en art. 8 Rome I, waarbij het verschil in tekst relevant is voor de uitleg
- 5Unitrans vorderde in principaal hoger beroep onbevoegdverklaring en terugbetaling van reeds betaalde bedragen; het incidenteel hoger beroep van FNV/chauffeurs was voorwaardelijk ingesteld
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de pluraliteit-van-verweerders-regel in internationale arbeidsrechtelijke geschillen waarbij een concernconstructie wordt ingezet om CAO-verplichtingen te ontwijken. De zaak verduidelijkt dat het begrip 'gewone werkland' in art. 21 Brussel I bis en art. 8 Rome I niet noodzakelijkerwijs gelijkluidend hoeft te worden uitgelegd.
Praktische impact
Transportbedrijven die via buitenlandse concernvennootschappen Nederlandse CAO-toepasselijkheid trachten te vermijden, kunnen worden gedaagd voor de Nederlandse rechter indien een Nederlandse concernvennootschap als ankergedaagde fungeert. Chauffeurs en vakbonden hebben daarmee een effectief forum voor handhaving van arbeidsrechten.
Onderwerp-impact
In de transportsector vergroot deze uitspraak de mogelijkheid voor vakbonden zoals FNV om grensoverschrijdende CAO-handhavingsprocedures te voeren tegen buitenlandse concernvennootschappen vanuit Nederland.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag staat centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van vorderingen van FNV en een groep chauffeurs tegen het Tsjechische transportbedrijf Unitrans. De achtergrond is een gestelde concernconstructie waarbij het Nederlandse Wemmers BV via Wemmers GmbH (Duits) en Unitrans (Tsjechisch) de toepasselijkheid van Nederlands recht en de toepasselijke CAO zou ontwijken. In eerste aanleg zijn vorderingen ingesteld tegen alle betrokken vennootschappen. Unitrans betoogt in principaal hoger beroep dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd moet verklaren, nu Unitrans als Tsjechisch rechtspersoon statutair in Tsjechië is gevestigd. Het hof verwerpt dit standpunt. Ten aanzien van Wemmers BV staat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter vast op grond van art. 4 lid 1 Brussel I bis (vestigingsplaats verweerder). Voor de bevoegdheid ten aanzien van Unitrans oordeelt het hof dat art. 8 lid 1 Brussel I bis van toepassing is: de pluraliteit-van-verweerders-regel biedt een grondslag om mede-verweerders die in andere lidstaten zijn gevestigd voor de rechter van de ankergedaagde te dagen, mits de vorderingen zo nauw samenhangen dat gelijktijdige berechting aangewezen is. Het hof stelt vast dat de vorderingen tegen Unitrans en Wemmers BV weliswaar niet volledig identiek zijn, maar wel dezelfde feitelijke grondslag delen: de gestelde constructie om Nederlandse arbeidsrechtelijke verplichtingen te ontwijken. Dit rechtvaardigt gevoegde behandeling. Voorts overweegt het hof dat het begrip 'gewone werkland' in art. 21 lid 1 sub b Brussel I bis en art. 8 Rome I niet noodzakelijkerwijs op dezelfde wijze hoeft te worden uitgelegd, nu een relevant tekstueel verschil zoals dat in eerdere Europese rechtspraak aan de orde was hier ontbreekt. Het incidenteel hoger beroep van FNV en de chauffeurs was voorwaardelijk ingesteld en komt alleen aan de orde indien het principaal hoger beroep van Unitrans slaagt. Nu dat niet het geval is, behoeft het incidenteel hoger beroep geen verdere bespreking.