JurispRadar
ECLI:NL:GHDHA:2026:1866Laag28/100

Dexia aansprakelijk ondanks verjaringsverweer bij effectenlease

ECLI:NL:GHDHA:2026:1866, Gerechtshof Den Haag, 19-05-2026, 200.286.748/02

Gerechtshof Den HaagUitspraak: 19 mei 2026Publicatie: 3 juni 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.286.748/02

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Dexia / advisering / wetenschap / tussenpersoon / Spaar Select

Kern van de zaak

Appellante sloot via een adviseur een effectenleaseovereenkomst met Dexia. Dexia vorderde een verklaring voor recht dat zij al haar verplichtingen had voldaan. Appellante stelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld en vorderde schadevergoeding.

Beslissing van de rechter

Het hof verwerpt het beroep op verjaring van Dexia en bekrachtigt grotendeels het vonnis van de kantonrechter. Doorslaggevend is dat de verjaring tijdig werd gestuit door een schriftelijke mededeling waarin appellante zich ondubbelzinnig haar recht voorbehield, waarbij geen precieze feitelijke of juridische onderbouwing vereist is.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past in een uitgebreide, reeds uitgekristalliseerde rechtspraktijk rondom Dexia-effectenleasegeschillen en voegt weinig nieuws toe aan het recht; de financiële impact is bovendien beperkt (€ 8,43 resterende verplichting).

Belangrijkste punten

  • 1Vordering gebaseerd op onrechtmatige daad van Dexia verjaart vijf jaar na daadwerkelijke bekendheid met schade en aansprakelijke persoon (art. 3:310 lid 1 BW).
  • 2Stuiting van verjaring vereist een ondubbelzinnige schriftelijke mededeling (art. 3:317 lid 1 BW), maar geen precieze feitelijke of juridische omschrijving van de grondslag.
  • 3Context en overige omstandigheden spelen mee bij de beoordeling of een mededeling kwalificeert als stuitingshandeling.
  • 4De kantonrechter had reeds voor recht verklaard dat Dexia grotendeels aan haar verplichtingen had voldaan, met uitzondering van een resterende betalingsverplichting van € 8,43 (wettelijke rente).
  • 5De adviseur die appellante begeleidde bij het sluiten van de effectenleaseovereenkomst speelt een rol in de achterliggende aansprakelijkheidsvraag.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat aan een stuitingsmededeling ex art. 3:317 lid 1 BW geen strenge inhoudseis mag worden gesteld, wat bescherming biedt aan consumenten in effectenleasegeschillen. Dit sluit aan bij eerdere rechtspraak in de Dexia-dossiers.

Praktische impact

Voor (voormalige) effectenlease-beleggers betekent dit dat een relatief eenvoudige schriftelijke mededeling voldoende is om verjaring te stuiten, zonder dat een gedetailleerde juridische onderbouwing nodig was. Dexia kan zich niet achter het verjaringsverweer verschuilen.

Onderwerp-impact

In de financiële dienstverlening, en met name bij afwikkeling van effectenleaseproducten, onderstreept deze uitspraak dat aanbieders als Dexia ook na lange tijd aansprakelijk gehouden kunnen worden voor onrechtmatig handelen jegens consumenten.

Samenvatting

In deze zaak voor het Gerechtshof Den Haag stond de afwikkeling centraal van een effectenleaseovereenkomst tussen appellante en Dexia. Appellante had de overeenkomst gesloten op advies van een tussenpersoon. Dexia vorderde een verklaring voor recht dat zij volledig aan haar verplichtingen had voldaan en niets meer verschuldigd was. Appellante bestreed dit en stelde dat Dexia onrechtmatig had gehandeld, op grond waarvan zij recht had op schadevergoeding. In eerste aanleg verklaarde de kantonrechter grotendeels voor recht dat Dexia aan haar verplichtingen had voldaan, met uitzondering van een bedrag van € 8,43 aan wettelijke rente. In hoger beroep voerde Dexia als verweer dat de vordering van appellante was verjaard. Het hof wijst het verjaringsverweer af. De vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad en verjaart op grond van artikel 3:310 lid 1 BW vijf jaar na de dag waarop de benadeelde daadwerkelijk bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke persoon. Het hof benadrukt dat verjaring kan worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarbij de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW). Daarbij geldt dat aan zo'n mededeling niet de eis mag worden gesteld dat zij een nauwkeurige feitelijke en juridische omschrijving bevat van de grondslag van het vorderingsrecht. Context en overige omstandigheden zijn mede bepalend voor de vraag of een mededeling als stuitingshandeling kwalificeert. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De uitspraak voegt weinig toe aan de reeds uitgebreide rechtspraak over Dexia-effectenleaseproducten, maar bevestigt opnieuw de consumentvriendelijke benadering bij de verjaringsproblematiek in deze dossiers.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 10 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2083, Gerechtshof Den Haag, 30-06-2026, 200.332.838/01

Gerechtshof Den Haag30 jun 2026TransportAansprakelijkheid
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:1885Laag
Aansprakelijkheidsrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHDHA:2026:1885, Gerechtshof Den Haag, 09-06-2026, 200.346.852/01

Gerechtshof Den Haag9 jun 2026AansprakelijkheidSchadevergoeding
18/100Bekijk
ECLI:NL:GHSHE:2026:1076Middel
Aansprakelijkheidsrecht
Belastingrecht

ECLI:NL:GHSHE:2026:1076, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22-04-2026, 24/1049

Gerechtshof 's-Hertogenbosch22 apr 2026BestuurdersaansprakelijkheidIncasso
38/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:391Laag
Bestuursrecht
Aansprakelijkheidsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:391, Gerechtshof Den Haag, 24-03-2026, 200.333.996/01

Gerechtshof Den Haag24 mrt 2026HandhavingSchadevergoeding
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied