Incidentele vordering schorsing executie afgewezen wegens procesorde
ECLI:NL:GHAMS:2026:850, Gerechtshof Amsterdam, 24-03-2026, 200.355.437
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)kopje volgt
Kern van de zaak
Een huurder (appellant) is door de kantonrechter veroordeeld tot ontruiming van gehuurde bedrijfsruimte. Hij startte een executiegeschil bij de voorzieningenrechter én een incident ex artikel 351 Rv in hoger beroep, beide gericht op schorsing van de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst de incidentele vordering tot schorsing van de executie (artikel 351 Rv) af wegens strijd met de goede procesorde. De doorslaggevende reden is dat de voorzieningenrechter in het executiegeschil al eerder een beslissing had genomen over de schorsing, en appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft gesteld die een hernieuwde inhoudelijke beoordeling rechtvaardigen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande procesrechtelijke jurisprudentie en stelt geen nieuwe rechtsregels; de impact is beperkt tot de betrokken partijen en de bevestiging van bekende procesrechtelijke uitgangspunten.
Belangrijkste punten
- 1Een geëxecuteerde heeft zowel het recht een executiegeschil (art. 438 lid 2 Rv) als een incident in hoger beroep (art. 351 Rv) in te stellen voor schorsing van de executie.
- 2Indien de vordering tot schorsing via art. 438 lid 2 Rv al is beoordeeld voordat het hof op het incident beslist, kan het hof de incidentele vordering ex art. 351 Rv niet inhoudelijk beoordelen zonder nieuwe feiten of omstandigheden.
- 3Het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden leidt ertoe dat de incidentele vordering moet worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde.
- 4De voorzieningenrechter had de executie eerder al gedeeltelijk geschorst tot 31 december 2025, onder de voorwaarde van wekelijkse betalingen van € 2.250,00.
- 5De proceskostenbeslissing in het incident wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Impactanalyse
Juridische impact
Het arrest verduidelijkt de verhouding tussen het executiegeschil (art. 438 Rv) en het incident in hoger beroep (art. 351 Rv): een eerdere beslissing in een executiegeschil blokkeert een inhoudelijke beoordeling van een soortgelijke incidentele vordering, tenzij nieuwe feiten of omstandigheden worden gesteld. Dit bevestigt en verduidelijkt bestaande procesrechtelijke regels omtrent samenloop van rechtsmiddelen.
Praktische impact
Voor de huurder betekent deze uitspraak dat de ontruimingsdreiging voortduurt; zijn poging om via het hoger beroep een extra schorsing te verkrijgen is mislukt. Hij kan zich slechts verweren in de hoofdzaak via de memorie van antwoord.
Onderwerp-impact
In huurrechtelijke ontruimingszaken benadrukt deze uitspraak dat het stapelen van executierechtelijke procedures zonder nieuwe gronden niet kansrijk is en kan stranden op de goede procesorde.
Samenvatting
In deze zaak had de kantonrechter appellant veroordeeld tot ontruiming van door hem gehuurde bedrijfsruimte, welke veroordeling uitvoerbaar bij voorraad was verklaard. Appellant probeerde de tenuitvoerlegging op twee manieren te stoppen: enerzijds via een executiegeschil bij de voorzieningenrechter (art. 438 lid 3 Rv), anderzijds via een incident in het hoger beroep (art. 351 Rv). De voorzieningenrechter had in het executiegeschil de executie deels geschorst tot 31 december 2025, onder de voorwaarde dat appellant wekelijks € 2.250,00 zou betalen. Vervolgens moest het Gerechtshof Amsterdam oordelen over de incidentele vordering tot schorsing in hoger beroep. Het hof stelt voorop dat beide rechtsmiddelen in beginsel naast elkaar kunnen worden ingezet. Echter, indien de vordering tot schorsing via art. 438 lid 2 Rv al is beoordeeld voordat het hof op het incident beslist, geldt een belangrijke beperking: de veroordeelde moet nieuwe feiten of omstandigheden stellen die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen. Doet hij dat niet, dan kan het hof de incidentele vordering niet inhoudelijk beoordelen en moet deze worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde. Nu appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigden, wijst het hof de incidentele vordering af. De proceskostenbeslissing wordt aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De zaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord. De uitspraak bevestigt daarmee een bestaand procesrechtelijk uitgangspunt: het is niet mogelijk om via twee parallelle procedures een dubbele kans op schorsing van dezelfde executie te creëren, zonder dat daar inhoudelijk nieuwe gronden aan ten grondslag worden gelegd.