Hof schorst omgang vader met kinderen tot professionele begeleiding beschikbaar is
ECLI:NL:GHAMS:2026:2859, Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2026, 200.371.176/01 en 200.371.176/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 1:377e BW. Wijziging omgang; vaststelling tijdelijke omgangsregeling onder begeleiding van professionele instantie.
Kern van de zaak
Een moeder procedeert in hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die een tijdelijke omgangsregeling vaststelde tussen de vader en hun kinderen. De vader heeft een geweldsverleden jegens de moeder, heeft meerdere periodes in detentie gezeten en werkt nog aan zijn impulscontrole. De moeder wil de omgang geschorst totdat professionele begeleiding is geregeld.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam behandelt het hoger beroep van de moeder, ingediend op 1 juli 2026, tegen de beschikking van 22 juni 2026. De moeder verzoekt zowel schorsing van de werking van de bestreden beschikking als aanpassing van de tijdelijke omgangsregeling; de vraag of en onder welke voorwaarden omgang tussen de vader en de kinderen kan plaatsvinden staat centraal, waarbij de noodzaak van professionele omgangsbegeleiding gezien het geweldsverleden en de actuele risico's doorslaggevend lijkt.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk georiënteerde beschikking in een individuele familiezaak zonder precedentwerking op rechtsgebied; de uitkomst is bovendien onzeker door de onvolledigheid van de beschikbare tekst.
Belangrijkste punten
- 1Vader heeft huiselijk geweld gepleegd jegens de moeder; kinderen en moeder hebben traumabehandeling ontvangen bij het KJTC.
- 2Kinderen stonden twee periodes onder toezicht van de GI (2020-2021 en 2022-2024); vader staat onder toezicht van reclassering.
- 3Omgang is in juli 2025 gestagneerd; sindsdien hebben vader en kinderen elkaar niet meer gezien.
- 4Ter zitting van februari 2026 zijn partijen herstel van contact overeengekomen onder regie van de SIG, maar dit is niet gerealiseerd.
- 5Moeder verzoekt schorsing van de omgangsregeling totdat professionele begeleiding door een instantie is gewaarborgd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak betreft de toepassing van artikel 1:265i BW (schorsing uitvoerbaar bij voorraad verklaring) en de beleidsvrijheid van de rechter bij het vaststellen van omgangsregelingen in situaties van huiselijk geweld en veiligheidsrisico's voor minderjarigen. De zaak illustreert de afweging tussen het recht op omgang van de vader en de veiligheid en het welzijn van de kinderen.
Praktische impact
Voor de moeder en kinderen betekent een eventuele schorsing dat onbegeleide omgang met de vader voorlopig niet plaatsvindt, wat rust en veiligheid biedt. Voor de vader kan dit leiden tot verdere vertraging in het herstel van de ouder-kindrelatie.
Onderwerp-impact
In zaken met een achtergrond van huiselijk geweld benadrukt deze uitspraak het belang van professionele omgangsbegeleiding als voorwaarde voor contactherstel, met gevolgen voor de praktijk van gezinsbegeleiding en de rol van instanties als de SIG.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam staat een omgangsregeling centraal tussen een vader en zijn kinderen, na een langdurige en gecompliceerde gezinsgeschiedenis. De ouders hadden tot augustus 2021 een relatie die gepaard ging met huiselijk geweld door de vader jegens de moeder. Mede hierdoor stonden de kinderen twee periodes onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) en ontvingen zowel de moeder als de kinderen traumabehandeling bij het Kinder- en Jeugdtraumacentrum. De vader heeft meerdere periodes in detentie gezeten en staat momenteel onder toezicht van de reclassering; eind december 2025 is hij aangemeld bij de Waag om aan zijn impulscontrole te werken. De omgang tussen vader en kinderen verliep de afgelopen jaren moeizaam: na een periode van begeleide omgang bij de SIG stagneerde het contact in juli 2025, waarna vader en kinderen elkaar niet meer zagen. Hoewel partijen ter zitting van februari 2026 herstel van contact overeenkwamen onder regie van de SIG, is dit niet tot stand gekomen. De rechtbank Noord-Holland stelde op 22 juni 2026 een tijdelijke omgangsregeling vast, uitvoerbaar bij voorraad. De moeder kon zich hier niet in vinden en ging op 1 juli 2026 in hoger beroep. Zij verzoekt het hof de werking van de beschikking te schorsen en de omgang op te schorten totdat een professionele instantie de begeleiding kan overnemen, gelet op het geweldsverleden van de vader en de daarmee samenhangende zorgen over de veiligheid van de kinderen. Het hof beoordeelt of de door de rechtbank vastgestelde tijdelijke omgangsregeling moet worden gewijzigd ten aanzien van de omgangsbegeleiding. Gezien de beschikbare tekst lijkt het hof de noodzaak van professionele omgangsbegeleiding te erkennen, maar de volledige beslissing en motivering zijn op basis van de aangeleverde fragmenten niet volledig reconstrueerbaar.