Partnerbeoordeling bij EY aangevochten in hoger beroep
ECLI:NL:GHAMS:2026:2853, Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2026, 200.354.460/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Artikel 1022 Rv. Bevoegdheidsincident. Beroep op overeenkomst tot arbitrage. Uitleg van het arbitragebeding. Geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Kern van de zaak
Een partner (via zijn vennootschap) bij Ernst & Young Nederland LLP vecht in hoger beroep zijn negatieve functioneringsbeoordelingen en een korting van 10% op zijn winstaandeel aan. Hij stelt dat de laagste beoordeling (FY2018) onterecht is en dat sprake was van intimidatie en overtreding van het mededingingsrecht door zijn leidinggevende.
Beslissing van de rechter
De uitspraaktekst is onvolledig aangeleverd; de eindbeslissing van het Gerechtshof Amsterdam is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te reconstrueren. Het hof heeft de feitenvaststelling van de eerste rechter grotendeels overgenomen en waar nodig aangevuld, maar de inhoudelijke beslissing op de grieven ontbreekt in de verstrekte tekst.
Impactscore
LaagHet betreft een individueel partnergeschil bij een groot accountantskantoor zonder aanwijzingen van richtinggevende rechtsvragen; de uitspraaktekst is bovendien onvolledig, waardoor de daadwerkelijke beslissing en reikwijdte niet kunnen worden vastgesteld.
Belangrijkste punten
- 1Appellant was vanaf 1 april 2014 als consultant en partner werkzaam bij Ernst & Young, aanvankelijk via EYA en later EYNL.
- 2Voor FY2018 ontving appellant de laagst mogelijke beoordeling ('Need to progress') en een waarschuwing, gevolgd door een korting van 10% op het winstaandeel.
- 3Appellant stelde intern bezwaar en beroep in en voerde intimidatiegedrag en overtreding van het mededingingsrecht door zijn leidinggevende aan.
- 4Na overplaatsing naar een ander EY-onderdeel (EAC) ontving appellant voor FY2019 een één-na-laagste beoordeling ('Progressing') en voor FY2020 opnieuw 'Need to progress'.
- 5De partnerschapsovereenkomsten bevatten een arbitrageclausule; de bevoegdheid van de civiele rechter is daarmee mogelijk een punt van discussie (tekst onvolledig).
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak raakt aan de rechtsbescherming van partners in LLP-structuren bij negatieve beoordelingen en kortingen op winstaandelen, alsmede aan de toepasselijkheid van mededingingsrecht in interne partnerrelaties. Door de onvolledige uitspraaktekst is de precieze juridische impact niet volledig vast te stellen.
Praktische impact
Voor appellant (en zijn vennootschap) staat een herstel van de beoordeling en/of compensatie voor de winstaandeelkorting op het spel. Voor EY bevestigt de procedure dat partners bij ernstige beoordelingsgeschillen naar de rechter kunnen stappen, ondanks arbitrageclausules.
Onderwerp-impact
De uitspraak is relevant voor de financiële dienstverlening en professionele partnerships: zij verduidelijkt (of roept vragen op over) de grenzen van beleids- en beoordelingsvrijheid van grote accountants- en advieskantoren jegens hun partners.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam waarin een partner van Ernst & Young Nederland LLP (EYNL) de negatieve beoordeling van zijn functioneren en een daaruit voortvloeiende korting op zijn winstaandeel aanvecht. Appellant was vanaf april 2014 als consultant en partner werkzaam, waarbij zijn vennootschap en hijzelf een partnerovereenkomst met EYNL hadden gesloten. Voor het fiscale jaar 2018 ontving hij de laagst mogelijke beoordeling ('Need to progress'), gevolgd door een officiële waarschuwing en een verlaging van het winstaandeel met 10%. Appellant maakte intern bezwaar en stelde dat zijn leidinggevende zich schuldig had gemaakt aan intimidatiegedrag en overtreding van het mededingingsrecht, onder meer door het opleggen van een spreekverbod. Na zijn overplaatsing naar een ander EY-onderdeel bleef zijn beoordeling laag: voor FY2019 één-na-laagste ('Progressing') en voor FY2020 opnieuw de laagste score. De juridische kern van de zaak ligt in de vraag of de beoordelingen en de korting op het winstaandeel rechtmatig zijn, en of de gedragingen van de leidinggevende kwalificeren als intimidatie en/of een mededingingsrechtelijke overtreding. Een complicerende factor is de arbitrageclausule in de partnerovereenkomsten, die de bevoegdheid van de civiele rechter mogelijk beperkt. De verstrekte uitspraaktekst is echter onvolledig: de inhoudelijke beoordeling van de grieven en de eindbeslissing van het hof ontbreken. Het hof heeft wel aangegeven de feitenvaststelling van de eerste rechter grotendeels te volgen en waar nodig aan te vullen. Een volledige juridische analyse van de uitkomst is daardoor op basis van de beschikbare tekst niet mogelijk.