Schorsingsverzoek executie afgewezen wegens strijd goede procesorde
ECLI:NL:GHAMS:2026:2906, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.376.062/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Incidenteel verzoek tot schorsing van executie art 360 lid 2 Rv: afgewezen (misbruik van procesrecht)
Kern van de zaak
Een werkgever (appellant) werd door de kantonrechter veroordeeld een werkneemster (geïntimeerde) toe te laten tot haar werkzaamheden, op straffe van dwangsommen. De werkgever probeerde zowel via een executiegeschil bij de voorzieningenrechter als via een incident in hoger beroep de executie te laten schorsen.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het incidentele schorsingsverzoek van appellant af wegens strijd met de goede procesorde. De doorslaggevende reden is dat de voorzieningenrechter de vordering tot schorsing al eerder had afgewezen en appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een procedurebeslissing in een incident en past binnen bestaande rechtspraak over samenloop van executieprocedures; er worden geen nieuwe rechtsnormen geformuleerd.
Belangrijkste punten
- 1Een geëxecuteerde heeft naast artikel 438 lid 2 Rv ook het recht een schorsingsverzoek via een incident in hoger beroep (art. 360 lid 2 Rv) in te stellen.
- 2Indien de vordering tot schorsing in kort geding al is afgewezen, kan het hof aan een inhoudelijke beoordeling van een soortgelijk incidenteel verzoek in hoger beroep niet meer toekomen wegens strijd met de goede procesorde.
- 3Voor een hernieuwde beoordeling moeten nieuwe feiten of omstandigheden worden gesteld; appellant heeft dit nagelaten.
- 4De voorzieningenrechter had de executie gedeeltelijk beperkt door executie van verbeurde dwangsommen te verbieden, met uitzondering van een eenmalige dwangsom van € 500,00.
- 5De beslissing over de proceskosten in het incident wordt aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat samenloop van een executiegeschil ex art. 438 lid 2 Rv en een schorsingsincident ex art. 360 lid 2 Rv in hoger beroep kan stuiten op de goede procesorde wanneer geen nieuwe gronden worden aangevoerd. Dit beperkt de mogelijkheid tot dubbele toetsing van executieschorsing.
Praktische impact
Voor de werkgever betekent dit dat de executie van de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling tot toelating van de werkneemster en de bijbehorende dwangsommen doorloopt in afwachting van de hoofdzaak in hoger beroep.
Onderwerp-impact
In arbeidsrechtelijke geschillen over toelating tot de werkplek onderstreept deze uitspraak dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis effectief gehandhaafd kan worden, ook als de werkgever via meerdere procedures probeert de executie te blokkeren.
Samenvatting
In deze zaak had de kantonrechter de werkgever (appellant) veroordeeld een werkneemster (geïntimeerde) toe te laten tot haar arbeids- en cateringwerkzaamheden, op straffe van dwangsommen. Deze veroordeling was uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De werkgever stelde hoger beroep in en maakte tegelijkertijd een executiegeschil aanhangig bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland op grond van artikel 438 lid 2 Rv, met het verzoek de executie te schorsen. De voorzieningenrechter wees de schorsingsvordering af, maar verbood de werkneemster de verbeurde dwangsommen te executeren met uitzondering van een eenmalige dwangsom van € 500,00. Aanvullend diende de werkgever in hoger beroep een incidenteel verzoek tot schorsing van de executie in op grond van artikel 360 lid 2 Rv. Het hof stelt voorop dat een geëxecuteerde in beginsel zowel de weg van artikel 438 lid 2 Rv als die van een incident in hoger beroep kan bewandelen. Echter, wanneer de schorsingsvordering in kort geding al is afgewezen en de verzoekende partij geen nieuwe feiten of omstandigheden aanvoert die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigen, kan het hof afhankelijk van de aangevoerde gronden wegens strijd met de goede procesorde niet meer toekomen aan een inhoudelijke beoordeling. Nu appellant in het hogerberoepsincident geen nieuwe gronden of omstandigheden had gesteld die niet al bij de voorzieningenrechter aan de orde waren geweest, wijst het hof het incidentele verzoek af. De proceskosten in het incident worden aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak, waarvoor de werkneemster uiterlijk 22 januari 2027 een verweerschrift kan indienen. De uitspraak bevestigt daarmee dat dubbel gebruik van schorsingsprocedures zonder nieuwe gronden niet is toegestaan.