Werknemer verliest hoger beroep over benadeling en transitievergoeding
ECLI:NL:GHAMS:2026:2742, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.362.014/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)WWZ. Melding Wet bescherming Klokkenluiders. Geen benadeling in de zin van art. 17e Wbk. Geen promotie onthouden en geen berisping opgelegd. Ook geen sprake van uitsluiting of isolatie. Geen ernstig verwijtbaar handelen werkgever
Kern van de zaak
Een werknemer (appellant) stelt dat zijn werkgever UL hem heeft benadeeld wegens het indienen van een klacht of melding (Wet bescherming klokkenluiders). Hij vordert een transitievergoeding van ruim €34.000 en schadevergoeding van bijna €250.000, stellende dat hij ten onrechte geen promotie kreeg, een berisping ontving, werd uitgesloten van projecten en onzorgvuldig is behandeld.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst de verzoeken van appellant af en bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter. De doorslaggevende reden is dat noch van benadeling in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk), noch van ernstig verwijtbaar handelen door UL sprake is, waardoor geen recht op transitievergoeding of schadevergoeding bestaat.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijke toepassing van de Wbk-normen in een individuele arbeidsrechtelijke zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking. De uitspraak is bovendien onvolledig weergegeven.
Belangrijkste punten
- 1Appellant stelt vier grieven in hoger beroep: geen promotie, berisping/onzorgvuldige behandeling, uitsluiting van projecten en cumulatieve benadeling.
- 2De kantonrechter had reeds geoordeeld dat van benadeling in de zin van de Wbk geen sprake is; het hof volgt dit oordeel.
- 3Vorderingen omvatten transitievergoeding (€34.140,48) en schadevergoeding (€249.963,44), beide bruto vermeerderd met wettelijke rente.
- 4Het geschilpunt over het concurrentie- en relatiebeding maakt geen deel uit van dit hoger beroep.
- 5De proceskosten worden gecompenseerd dan wel ten laste van appellant gelegd (UL vordert proceskostenveroordeling van appellant).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat voor een geslaagd beroep op benadeling onder de Wet bescherming klokkenluiders concrete en causale nadelige handelingen aangetoond moeten worden; cumulatieve verwijten zonder afzonderlijk bewijs zijn onvoldoende. De drempel voor 'ernstig verwijtbaar handelen' door de werkgever blijft hoog.
Praktische impact
Appellant ontvangt geen transitievergoeding en geen schadevergoeding; hij staat mogelijk voor een proceskostenveroordeling. Voor werkgevers bevestigt dit dat alledaagse arbeidsrechtelijke beslissingen (berisping, projectindeling) niet snel als klokkenluiderbenadeling worden gekwalificeerd.
Onderwerp-impact
In klokkenluiderszaken onderstreept deze uitspraak dat werknemers per gestelde benadelingshandeling voldoende bewijs moeten aanleveren; een stapeling van zwakke individuele verwijten leidt niet automatisch tot een geslaagde cumulatieve benadeligingsclaim.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam stond de vraag centraal of werkgever UL de werknemer (appellant) had benadeeld in de zin van de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk) en of sprake was van ernstig verwijtbaar handelen dat recht geeft op een transitievergoeding en aanvullende schadevergoeding. De werknemer had in eerste aanleg bij de kantonrechter verzocht om betaling van een transitievergoeding van ruim €34.000 bruto en een schadevergoeding van bijna €250.000 bruto, beide te vermeerderen met wettelijke rente. De kantonrechter wees alle verzoeken af en compenseerde de proceskosten. In hoger beroep voerde appellant vier grieven aan. Hij betoogde achtereenvolgens dat hem ten onrechte een promotie was onthouden, dat een berisping en het niet delen van teamklachten zonder hoor en wederhoor als benadeling moeten worden aangemerkt, dat uitsluiting van projecten eveneens benadeling oplevert, en dat alle handelingen van UL tezamen als benadeling zijn te beschouwen. Het hof verwierp alle grieven. Evenals de kantonrechter oordeelde het hof dat van benadeling in de zin van de Wbk geen sprake is en dat UL niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De afzonderlijke gestelde benadelingshandelingen bleken juridisch onvoldoende onderbouwd, en ook de cumulatieve benadering (grief IV) bood geen uitkomst. Het geschil over het concurrentie- en relatiebeding viel buiten de omvang van dit hoger beroep. De beschikking van de kantonrechter wordt bekrachtigd en de verzoeken worden afgewezen. De uitspraak illustreert dat de drempel voor benadeling onder de Wbk hoog ligt: concrete, causaal verband houdende nadelige maatregelen moeten per handeling worden aangetoond. Een opeenstapeling van organisatorische beslissingen die afzonderlijk onvoldoende zijn, levert ook gecombineerd niet snel een rechtens relevante benadeling op.