Bank mag zakelijke rekening weigeren op basis van defensiebeleid
ECLI:NL:GHAMS:2026:2848, Gerechtshof Amsterdam, 06-10-2026, 200.368.016/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aanvraag zakelijke betaalrekeningen bij de bank. Voorshands oordeel dat de bank de aanvragen mocht afwijzen met een beroep op artikel 5 lid 1 Wwft. Onvoldoende (relevante) informatie aangeleverd om het klantonderzoek af te kunnen ronden. Uitstralingsrisico voldoende aannemelijk.
Kern van de zaak
Appellanten (privépersoon en vennootschappen) vorderden bij de bank opening van zakelijke betaalrekeningen. De bank weigerde omdat appellanten niet de vereiste documentatie wilden overleggen die het interne 'Defensiebeleid' van de bank voorschrijft. Appellanten stapten naar de rechter om de bank te dwingen rekeningen te openen.
Beslissing van de rechter
Het hof verklaart appellant 1 niet-ontvankelijk en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter waarbij alle vorderingen zijn afgewezen. De doorslaggevende reden is dat de bank inhoudelijk reële risico's heeft geïdentificeerd op basis van het risicoprofiel van appellanten en zij op grond van haar Defensiebeleid terecht documentatie mocht verlangen, die appellanten weigerden te verstrekken.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past binnen een bestaande lijn rondom de contractsvrijheid van banken en poortwachtersverplichtingen, maar is relevant voor de praktijk omdat zij concreet de grenzen van afdwingbaarheid van banktoegang verduidelijkt in een zakelijke context.
Belangrijkste punten
- 1Appellant 1 (privépersoon) is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep, mede omdat de bankrelatie in privé al eerder beëindigd was en daartegen geen rechtsmiddel was ingesteld.
- 2De bank hanteert een intern 'Defensiebeleid' op grond waarvan zij van zakelijke klanten specifieke documentatie mag verlangen voordat een bankrelatie wordt aangegaan.
- 3Appellanten weigerden de gevraagde documentatie te overleggen op de grond dat het Defensiebeleid niet op hen van toepassing zou zijn.
- 4De voorzieningenrechter en het hof oordelen dat de door de bank geschetste risico's voorshands reëel zijn en zwaarder wegen dan het belang van appellanten bij toegang tot een rekening.
- 5Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep van in totaal € 2.028,- (vermeerderd met wettelijke rente en nasalaris).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat banken op grond van intern beleid (zoals een defensiebeleid) extra eisen mogen stellen aan zakelijke klanten en een bankrelatie mogen weigeren indien klanten niet aan die eisen voldoen, zonder dat dit een onrechtmatige weigering oplevert. Dit sluit aan bij de ruimte die banken hebben in het kader van poortwachtersverplichtingen (Wwft/CDD).
Praktische impact
Ondernemers en vennootschappen die weigeren de door hun bank verlangde (compliance-)documentatie te overleggen, riskeren dat een bankrekening wordt geweigerd of de bankrelatie wordt beëindigd zonder succesvol juridisch verhaal. Toegang tot het bankwezen is niet afdwingbaar indien een reëel risicoprofiel bestaat.
Onderwerp-impact
In de financiële dienstverlening bevestigt deze uitspraak dat banken hun risicobeleid strikt mogen toepassen en zakelijke dienstverlening mogen weigeren op grond van niet-medewerking aan interne compliance-procedures.
Samenvatting
In deze zaak vorderden een privépersoon (appellant 1) en een aantal vennootschappen (appellanten) in kort geding dat de bank verplicht werd zakelijke betaalrekeningen voor hen te openen. De bank weigerde dit omdat appellanten niet bereid waren de documentatie te overleggen die het interne 'Defensiebeleid' van de bank voorschrijft als voorwaarde voor het aangaan van een zakelijke bankrelatie. Appellanten stelden dat dit beleid niet op hen van toepassing was en weigerden op die grond medewerking. De voorzieningenrechter wees de vorderingen af omdat de door de bank geschetste risico's voorshands reëel leken en de bank inhoudelijke gronden had om de bankrelatie te weigeren. In hoger beroep bekrachtigt het Gerechtshof Amsterdam dit oordeel volledig. Appellant 1 wordt daarbij afzonderlijk niet-ontvankelijk verklaard, mede omdat zijn privé-bankrelatie reeds eerder was beëindigd bij brief van 14 april 2026 en hij tegen de afwijzing van het kort geding over die beëindiging geen rechtsmiddel had ingesteld, zodat dat vonnis kracht van gewijsde had gekregen. Het hof oordeelt dat de bank op grond van haar Defensiebeleid gerechtigd was de verlangde stukken op te vragen en dat het uitblijven van die informatie een reëel en zwaarwegend belang van de bank oplevert om niet te contracteren. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aan de zijde van appellanten aangedragen die zwaarder wegen dan dit belang. De vorderingen tot opening van rekeningen, informatieverstrekking over registraties en inzage in het klantdossier worden dan ook alle afgewezen. Appellanten worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep ten bedrage van € 2.028,-, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-tijdige voldoening, alsmede nasalaris. De uitspraak onderstreept de bevoegdheid van banken om in het kader van hun compliancebeleid strikte eisen te stellen en dienstverlening te weigeren bij niet-medewerking.