Hof wijst vordering appellant af wegens onverschuldigde betaling
ECLI:NL:GHAMS:2026:2795, Gerechtshof Amsterdam, 15-09-2026, 200.353.001
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)De vordering van geïntimeerde tot terugbetaling van een door hem aan appellante onverschuldigd betaald bedrag aan huisvestingslasten is in eerste aanleg toegewezen, omdat daarvoor geen rechtsgrond aanwezig was. De grieven van appellante tegen het oordeel van de kantonrechter treffen geen doel
Kern van de zaak
Geïntimeerde vordert terugbetaling van € 23.705,83 van appellant op grond van onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW), na naheffingen door appellant op basis van een Overeenkomst Huisvestingslasten. De kantonrechter wees de vordering toe; appellant ging in hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam wijst de vordering van appellant af en veroordeelt appellant in de proceskosten. Doorslaggevend is dat de bijlage waarop appellant zich beroept louter als illustratie bij de overeenkomst is gevoegd en geen zelfstandige grondslag biedt voor nabetaling, zodat de naheffingen zonder rechtsgrond zijn verricht.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk geschil over contractsuitleg en onverschuldigde betaling in een specifieke huisvestingssituatie; de uitkomst is sterk casuïstisch en stelt geen nieuwe rechtsnormen. De financiële omvang is beperkt en de rechtsvraag is niet principieel van aard.
Belangrijkste punten
- 1Vordering gebaseerd op onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW): stelplicht en bewijslast rusten op geïntimeerde (art. 150 Rv).
- 2De bijlage bij de Overeenkomst Huisvestingslasten heeft slechts illustratieve werking en kan geen grondslag vormen voor nabetaling door geïntimeerde.
- 3Toelichting van [naam 2] op afrekeningen 2016-2021 speelt een centrale rol; appellant betwist diens onpartijdigheid en acht zijn verklaring alleen relevant als getuigenverklaring onder ede.
- 4Het hof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter dat er geen rechtsgrond bestond voor de naheffingen door appellant.
- 5Appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bijlagen bij overeenkomsten die louter illustratief zijn geen zelfstandige contractuele verplichtingen kunnen scheppen, en dat stelplicht en bewijslast bij onverschuldigde betaling strikt worden toegepast. De waarde van niet-beëdigde partijverklaringen wordt beperkt in het kader van contractsuitleg.
Praktische impact
Appellant moet het eerder door de kantonrechter opgelegde bedrag van € 23.705,83 vermeerderd met wettelijke rente aan geïntimeerde terugbetalen en draagt tevens de proceskosten van het hoger beroep. Voor partijen in huisvestingsarrangementen (zoals gezondheidscentra) is duidelijk dat enkel illustratieve bijlagen geen grondslag bieden voor financiële aanspraken.
Onderwerp-impact
Voor zorggerelateerde huisvestingsconstructies — waarbij onder meer GGD en huisartsen betrokken zijn — verduidelijkt deze uitspraak dat de contractuele grondslag voor kostenverdeling helder in de overeenkomst zelf verankerd moet zijn, niet slechts in bijlagen met illustratief karakter.
Samenvatting
In deze zaak vorderde geïntimeerde terugbetaling van € 23.705,83 van appellant op grond van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW), na jarenlange naheffingen door appellant in het kader van een Overeenkomst Huisvestingslasten. De naheffingen waren gebaseerd op een bijlage bij die overeenkomst, welke bijlage tabellen bevatte met betrekking tot huuropbrengsten van onder meer GGD en jaarcijfers van huisartsen. De kantonrechter oordeelde dat deze bijlage louter een illustratief karakter had en geen zelfstandige rechtsgrond kon vormen voor de door appellant gevorderde nabetalingen. Appellant ging in hoger beroep en betwistte onder meer de onpartijdigheid van [naam 2], wiens toelichting op de afrekeningen over de jaren 2016-2021 een centrale rol speelde in de beoordeling. Appellant stelde dat de verklaringen van [naam 2] alleen doorslaggevend konden zijn indien afgelegd als getuigenverklaring onder ede. Het Gerechtshof Amsterdam verwierp deze grieven. Het hof stelde voorop dat op grond van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast bij onverschuldigde betaling in beginsel rusten op degene die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, en beoordeelde of geïntimeerde voldoende had gesteld en bewezen dat de betalingen zonder rechtsgrond hadden plaatsgevonden. Het hof bevestigde het oordeel van de kantonrechter: de bewuste bijlage had slechts illustratieve werking en kon de naheffingen door appellant niet rechtvaardigen. Nu een geldige rechtsgrond voor de naheffingen ontbrak, zijn de door geïntimeerde gedane betalingen als onverschuldigd te kwalificeren en dient appellant deze terug te betalen. De vordering van appellant in hoger beroep werd afgewezen en appellant werd veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak onderstreept het belang van heldere contractuele grondslagen voor financiële verplichtingen en de beperkte betekenis van louter illustratieve bijlagen bij overeenkomsten.