JurispRadar
ECLI:NL:GHAMS:2026:2781Laag18/100

Dexia effectenlease: afnemer in hoger beroep afgewezen

ECLI:NL:GHAMS:2026:2781, Gerechtshof Amsterdam, 29-09-2026, 200.201.199/01

Gerechtshof AmsterdamUitspraak: 29 september 2026Publicatie: 29 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.201.199/01
Civiel recht
Verbintenissenrecht
Schadevergoeding
Aansprakelijkheid
Financiele Dienstverlening
Dexia
Effectenlease
Tussenpersoon
Niet Vergund
Nadere Regeling Toezicht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Effectenlease. Vordering vanwege advisering door tussenpersoon en wetenschap advisering bij Dexia.

Kern van de zaak

Een afnemer van een effectenleaseovereenkomst bij Dexia vocht in hoger beroep een vonnis aan waarin was vastgesteld dat Dexia aan al haar verplichtingen had voldaan. De afnemer stelde dat Dexia aansprakelijk was voor geleden schade, mede wegens betrokkenheid van een niet-vergunde tussenpersoon.

Beslissing van de rechter

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter: Dexia heeft aan al haar verplichtingen voldaan en is niets meer verschuldigd aan de afnemer. De grieven van de afnemer worden verworpen, waarbij het hof aansluiting zoekt bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over effectenlease en de rol van niet-vergunde tussenpersonen.

18van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een individuele effectenleasezaak die uitsluitend bestaand recht toepast zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitkomst is sterk casuïstisch en heeft beperkte precedentwerking.

Belangrijkste punten

  • 1Het hof past de vaste Hoge Raad-rechtspraak toe inzake effectenlease en schending van art. 41 NR 1999 (niet-vergunde tussenpersoon).
  • 2Schending van de vergunningsplicht door een tussenpersoon leidt in beginsel tot volledige instandhouding van Dexia's vergoedingsplicht, maar dat principe werd in dit geval niet van toepassing geacht.
  • 3De feitenvaststelling van de kantonrechter was in hoger beroep niet bestreden en vormde het uitgangspunt.
  • 4Dexia vorderde een verklaring voor recht dat zij niets meer verschuldigd was; de kantonrechter wees dit toe en het hof bekrachtigt dit.
  • 5De uitspraak is gebaseerd op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) en de arresten van 2016 en 2018.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van de Hoge Raad-rechtspraak over effectenlease en de rol van niet-vergunde tussenpersonen in individuele procedures. Het vonnis voegt weinig nieuwe rechtsontwikkeling toe maar illustreert de toepassing van het bestaande toetsingskader.

Praktische impact

Voor de afnemer betekent de uitspraak dat hij geen aanvullende schadevergoeding van Dexia ontvangt en tevens wordt veroordeeld in de proceskosten. Voor overige effectenleaseafnemers biedt dit geen nieuwe mogelijkheden.

Onderwerp-impact

In de financiële dienstverlening bevestigt deze uitspraak dat effectenleasegeschillen met Dexia langs vaste Hoge Raad-criteria worden beoordeeld, wat individuele procedures voor afnemers bemoeilijkt zonder specifieke feiten die een uitzondering rechtvaardigen.

Samenvatting

In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam ging het om een geschil tussen Dexia en een afnemer van een effectenleaseovereenkomst. De afnemer had in eerste aanleg het onderspit gedolven: de kantonrechter had voor recht verklaard dat Dexia aan al haar verplichtingen uit de leaseovereenkomst had voldaan en derhalve niets meer aan de afnemer verschuldigd was. De afnemer werd tevens in de proceskosten veroordeeld. In hoger beroep stelde de afnemer grieven in en vorderde hij vernietiging van het vonnis en alsnog integrale afwijzing van de vorderingen van Dexia. Het juridische kader wordt gevormd door de vaste rechtspraak van de Hoge Raad over effectenlease, in het bijzonder de arresten van 2 september 2016, 12 oktober 2018 en de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022. Kernvraag is of Dexia in strijd met artikel 41 van de Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR 1999) heeft gehandeld door een overeenkomst te sluiten terwijl een niet-vergunde tussenpersoon de afnemer had geadviseerd. Indien dat het geval is, eist de billijkheid in beginsel dat Dexia de volledige schade van de afnemer vergoedt, inclusief restschuld en reeds betaalde bedragen. Het hof overweegt dat de feitenvaststelling van de kantonrechter niet is bestreden en als uitgangspunt geldt. Na toepassing van het vaste beoordelingskader verwerpt het hof de grieven van de afnemer en bekrachtigt het het bestreden vonnis. Dexia heeft derhalve aan al haar verplichtingen voldaan en is niets meer verschuldigd. De uitspraak is een routinematige toepassing van bestaand recht in een individuele effectenleasezaak en heeft daarmee een beperkte bredere juridische of maatschappelijke impact.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 6 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Civiel recht

Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Overheid
ECLI:NL:HR:2026:1583

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep eisers tegen VM

5/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht
Aansprakelijkheid
ECLI:NL:HR:2026:1584

Hoge Raad verwerpt zowel principaal als incidenteel cassatieberoep

5/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Civiel recht
Goederenrecht
Financiele Dienstverlening
Incasso
ECLI:NL:HR:2026:1595

Hoge Raad: pandhouder mist bevoegdheid vaststellingsovereenkomst te sluiten

72/100Bekijk
Hoge Raad·2 okt 2026
Arbeidsrecht
Aansprakelijkheidsrecht
Arbeidsrelaties
Schadevergoeding
ECLI:NL:HR:2026:1586

Hoge Raad: Staat niet verplicht Afghaanse bewakers te evacueren

72/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied