Hof Amsterdam bevestigt bevoegdheid en Nederlands recht in distributieza ak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2557, Gerechtshof Amsterdam, 04-08-2026, 200.356.301
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)IE-Rechten Software
Kern van de zaak
Een geïntimeerde (distributeur) had bij verstek een voorziening verkregen tegen appellanten in een distributiegeschil. Appellanten kwamen in verzet en voerden internationale onbevoegdheid en litispendentie aan. Na cassatie en verwijzing beoordeelt het Gerechtshof Amsterdam de bevoegdheidsvragen en het toepasselijk recht opnieuw.
Beslissing van de rechter
Het hof heeft de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter bevestigd op grond van artikel 6 sub a en sub e Rv respectievelijk artikel 7 lid 1 Rv, en heeft Nederlands recht aangewezen als toepasselijk recht op grond van artikel 4 lid 1 Rome I-Verordening. Het beroep op litispendentie door appellant 1 heeft vooralsnog geen bevoegdheidsverval tot gevolg, en de bij verstek toegewezen voorzieningen blijven in stand nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het spoedeisend belang ontbrak.
Impactscore
LaagHet betreft een verwijzingsuitspraak in een individueel kort geding die hoofdzakelijk bestaande rechtspraak (Rome I, Rv-bevoegdheidsregels) toepast zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de feitelijke en juridische context is casuïstisch van aard.
Belangrijkste punten
- 1Internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter is aangenomen op basis van art. 6 sub a en sub e Rv (appellant 1) en art. 7 lid 1 Rv (appellant 2).
- 2Het beroep op litispendentie door appellant 1 heeft de bodemzaak aangehouden maar leidt vooralsnog niet tot daadwerkelijke onbevoegdverklaring.
- 3Op de distributieovereenkomst is Nederlands recht van toepassing op grond van art. 4 lid 1 Rome I-Vo, gelet op de gewone verblijfplaats van de distributeur (geïntimeerde).
- 4De bij verstek toegewezen voorzieningen blijven in stand; onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat spoedeisend belang ontbrak of dat tijdsduurbeperking gerechtvaardigd was.
- 5De uitkomst van de eerdere cassatieprocedure noch de wijze waarop deze is ingezet rechtvaardigt een andere conclusie over het voortbestaan van de voorzieningen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van Rome I-Vo bij de rechtskeuze in internationale distributiegeschillen en verduidelijkt dat een aangehouden beroep op litispendentie niet automatisch leidt tot het afwijzen van bevoegdheid in kort geding. De aansluiting bij eerdere beslissingen van hof Den Haag en de Hoge Raad versterkt de rechtscontinuïteit na cassatie en verwijzing.
Praktische impact
Voor appellanten betekent de uitspraak dat de bij verstek opgelegde voorzieningen blijven gelden en dat hun verweer inzake bevoegdheid en toepasselijk recht is verworpen. De distributeur (geïntimeerde) behoudt de door hem verkregen rechterlijke bescherming, ook over de periode vóór het vonnis in verzet.
Onderwerp-impact
Voor partijen in internationale distributierelaties onderstreept deze zaak het belang van een tijdige en onderbouwde bevoegdheidsbetwisting: een lopend beroep op litispendentie zonder voldoende duidelijkheid over de uitkomst volstaat niet om de bevoegdheid van de aangezochte rechter te doorbreken.
Samenvatting
Na cassatie en verwijzing door de Hoge Raad oordeelt het Gerechtshof Amsterdam over de internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht in een geschil tussen een distributeur (geïntimeerde) en twee buitenlandse appellanten over de nakoming van een distributieovereenkomst. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank Rotterdam dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is: ten aanzien van appellant 2 op grond van artikel 6 sub e Rv, en ten aanzien van appellant 1 op grond van artikel 7 lid 1 Rv én artikel 6 sub a Rv, zoals ook hof Den Haag eerder had geoordeeld. Het door appellant 1 ingeroepen beroep op litispendentie heeft weliswaar geleid tot aanhouding van de bodemprocedure, maar biedt onvoldoende grondslag om de bevoegdheid in dit kort geding te ontzeggen, nu onduidelijk blijft of de bodemrechter zich uiteindelijk onbevoegd zal verklaren. Voor het toepasselijk recht sluit het hof aan bij de voorzieningenrechter: de distributieovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht op grond van artikel 4 lid 1 Rome I-Verordening, nu de gewone verblijfplaats van de distributeur (geïntimeerde) bepalend is. Ten aanzien van de bij verstek toegewezen voorzieningen oordeelt het hof dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het spoedeisend belang ontbrak of dat de voorzieningen in tijdsduur hadden moeten worden beperkt. De wijze waarop de cassatieprocedure is gevoerd noch de uitkomst daarvan rechtvaardigt een andere conclusie. De uitspraak is daarmee een bevestiging van de reeds toegewezen maatregelen en verwerpt alle verweren van appellanten inzake bevoegdheid, toepasselijk recht en spoedeisend belang. De praktische betekenis voor de distributeur is dat zijn positie juridisch geconsolideerd blijft.