JurispRadar
ECLI:NL:GHAMS:2026:2423Laag22/100

Hof bekrachtigt afwijzing faillissementsverzoek CV

ECLI:NL:GHAMS:2026:2423, Gerechtshof Amsterdam, 18-08-2026, 200.371.322

Gerechtshof AmsterdamUitspraak: 18 augustus 2026Publicatie: 28 augustus 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:200.371.322
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Incasso
Faillissement
Faillissementsverzoek
Turboliquidatie
Commanditaire Vennootschap
Beherend Vennoot
Betalingsstaking

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Hoger beroep tegen afwijzing faillietverklaring. Niet summierlijk is gebleken van pluraliteit van schuldeisers. Daarnaast speelt de faillissementsaanvraag zich af tegen de achtergrond van een omvangrijk geschil over de afwikkeling van een CV waarin een beleggingsfonds was ondergebracht. Over de verdeling van de fondsopbrengsten zijn nog verschillende procedures aanhangig. Onder deze omstandigheden is het aanvragen van het faillissement van geïntimeerde een onevenredig middel en hadden appellanten daarvan in redelijkheid moeten afzien. Volgt bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Kern van de zaak

Een beherend vennoot (appellant 2, ontbonden via turboliquidatie) verzocht namens een CV het faillissement uit te spreken van een derde partij. De rechtbank Amsterdam wees het verzoek op 3 juli 2026 af. Appellant 2 ging in hoger beroep, mede met een eigen belang vanwege onbetaalde beheervergoedingen.

Beslissing van de rechter

Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het faillissementsverzoek af. Doorslaggevend is dat niet summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar heeft opgehouden te betalen, zodat niet aan de vereisten van artikel 6 lid 3 Fw is voldaan.

22van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande faillissementsrechtelijke maatstaven toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de relevantie is beperkt tot de specifieke partijen en de feitelijke constellatie rondom turboliquidatie en beherend vennootschap.

Belangrijkste punten

  • 1Faillietverklaring vereist summierlijk bewijs van staking van betaling én vorderingsrecht (art. 6 lid 3 Fw)
  • 2Rechter in hoger beroep beoordeelt opnieuw aan de hand van de toestand ten tijde van zijn uitspraak
  • 3Appellant 2 was via turboliquidatie ontbonden maar trad op als beherend vennoot van de CV met een eigen belang (onbetaalde beheervergoedingen)
  • 4Hof laat in het midden of appellant 2 bevoegd was de CV te vertegenwoordigen, nu het verzoek sowieso niet toewijsbaar is
  • 5Beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard; cassatietermijn bedraagt acht dagen

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van artikel 6 lid 3 Fw: de summierlijkheidsdrempel voor faillietverklaring wordt gehandhaafd en onzekerheden over vertegenwoordigingsbevoegdheid kunnen in het midden worden gelaten wanneer het verzoek inhoudelijk al faalt.

Praktische impact

De CV en haar schuldeisers worden niet geconfronteerd met een faillissement; appellant 2 slaagt er niet in via faillissementsrecht haar onbetaalde beheervergoedingen veilig te stellen.

Onderwerp-impact

Voor partijen in vereffening die als beherend vennoot van een CV optreden, verduidelijkt deze uitspraak dat een faillissementsverzoek als indirecte incassostrategie geen kansrijke route is indien het primaire bewijs van betalingsstaking ontbreekt.

Samenvatting

In deze zaak verzocht appellant 2 — een besloten vennootschap die op 28 februari 2022 via turboliquidatie was ontbonden maar later de status 'in liquidatie' verkreeg — namens een commanditaire vennootschap (de CV) het faillissement uit te spreken van een derde partij. Appellant 2 trad daarbij op als beherend vennoot van de CV en stelde een eigen belang te hebben, omdat zij nog onbetaalde beheervergoedingen tegoed had van de CV. De rechtbank Amsterdam wees het verzoek op 3 juli 2026 af. Appellant 2 stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Amsterdam. De centrale juridische vraag was tweeledig: (1) is appellant 2 bevoegd om in rechte als vertegenwoordiger van de CV op te treden, en (2) is summierlijk gebleken dat de beoogde failliet heeft opgehouden te betalen in de zin van artikel 6 lid 3 Faillissementswet? Het hof stelt voorop dat de rechter in hoger beroep zelfstandig toetst aan de hand van de omstandigheden ten tijde van zijn uitspraak. Na beoordeling van de aangevoerde feiten en omstandigheden concludeert het hof dat niet summierlijk is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Reeds om die reden kan het faillissementsverzoek niet worden toegewezen. De vraag of appellant 2 überhaupt bevoegd was de CV te vertegenwoordigen, laat het hof uitdrukkelijk in het midden: beantwoording daarvan is niet nodig nu het verzoek inhoudelijk strandt. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 3 juli 2026 en veroordeelt appellant 2 in de proceskosten, bij voorraad uitvoerbaar. De uitspraak illustreert dat een faillissementsverzoek als instrument om eigen vorderingen indirect veilig te stellen weinig kans van slagen heeft wanneer het bewijs van betalingsstaking onvoldoende is onderbouwd.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 8 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2599Laag
Ondernemingsrecht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2599, Gerechtshof Amsterdam, 10-09-2026, 200.336.928/01 OK

Gerechtshof Amsterdam10 sep 2026Financiele DienstverleningVastgoed
28/100Bekijk
ECLI:NL:GHAMS:2026:2408Middel
Huurrecht
Civiel recht

ECLI:NL:GHAMS:2026:2408, Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026, 200.365.144

Gerechtshof Amsterdam8 sep 2026ArbeidsrelatiesVastgoed
32/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2768Laag
Civiel recht
Burgerlijk procesrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2768, Gerechtshof Den Haag, 03-09-2026, 200.349.078/01

Gerechtshof Den Haag3 sep 2026TransportDienstverlening
5/100Bekijk
ECLI:NL:GHDHA:2026:2736Laag
Burgerlijk procesrecht
Intellectueel-eigendomsrecht

ECLI:NL:GHDHA:2026:2736, Gerechtshof Den Haag, 01-09-2026, 200.362.621/01

Gerechtshof Den Haag1 sep 2026SchadevergoedingAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied