Transitievergoeding en billijke vergoeding na onterecht ontslag op staande voet
ECLI:NL:GHAMS:2026:2420, Gerechtshof Amsterdam, 08-09-2026, 200.364.511
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Tussen partijen bestond een arbeidsovereenkomst. Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen. In hoger beroep staat vast dat dit ontslag niet rechtsgeldig was, zodat het ernstig verwijtbaar handelen door werkgever is gegeven en een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW toewijsbaar is. Het hof kent aan werknemer een billijke vergoeding toe van € 7.500,- bruto. Het hof oordeelt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, zodat werkgever aan hem de transitievergoeding is verschuldigd
Kern van de zaak
Een werknemer ([appellant]) werd op staande voet ontslagen door zijn werkgever ([geïntimeerde]). De rechtsgeldigheid van dit ontslag stond al vast (niet rechtsgeldig). In hoger beroep twisten partijen over de verschuldigdheid van de transitievergoeding (€ 20.388,90 bruto) en een eventuele billijke vergoeding, waarbij de werkgever stelt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onduidelijkheid over zijn terugkeer na verblijf in het buitenland.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig weergegeven, waardoor de uiteindelijke beslissing van het hof niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Uit de beschikbare tekst blijkt dat het hof de grief van de werkgever in incidenteel hoger beroep (geen transitievergoeding wegens ernstige verwijtbaarheid werknemer) beoordeelt; de doorslaggevende maatstaf is artikel 7:673 lid 7 sub c jo. lid 8 BW, waarbij geldt dat de uitzondering op de transitievergoedingsplicht terughoudend moet worden toegepast.
Impactscore
LaagHet betreft een individueel arbeidsgeschil bij een gerechtshof zonder aanwijzingen van nieuwe rechtsontwikkeling; de toepasselijke maatstaven zijn gevestigd en de uitspraak is bovendien onvolledig weergegeven, waardoor de daadwerkelijke beslissing niet bekend is.
Belangrijkste punten
- 1Het ontslag op staande voet was niet rechtsgeldig; deze beslissing en de gefixeerde schadevergoeding staan in hoger beroep vast.
- 2Kernvraag is of ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer de transitievergoeding doet vervallen (art. 7:673 lid 7 sub c BW).
- 3Werkgever verwijt de werknemer onduidelijkheid over terugkeer na buitenlands verblijf en ontbreken van bewijs voor verkregen toestemming.
- 4De rechter hanteert vaste rechtspraak dat de uitzondering op de transitievergoeding terughoudend moet worden toegepast.
- 5Secundaire vraag betreft de hoogte van een eventuele billijke vergoeding; de uitkomst hiervan is op basis van de beschikbare tekst onbekend.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de terughoudende toepassing van de uitzondering op de transitievergoedingsplicht bij ernstige verwijtbaarheid (art. 7:673 lid 7 sub c jo. lid 8 BW), maar heeft beperkte precedentwerking nu de volledige beslissing niet beschikbaar is.
Praktische impact
Voor de werknemer staat de ongeldigheid van het ontslag op staande voet vast; de procedure in hoger beroep bepaalt of hij alsnog aanspraak heeft op een transitievergoeding van ruim €20.000 bruto en een billijke vergoeding.
Onderwerp-impact
In arbeidsrechtelijke geschillen over ontslag op staande voet benadrukt deze zaak opnieuw dat werkgevers een hoge drempel moeten overwinnen om de transitievergoeding te laten vervallen wegens ernstige verwijtbaarheid van de werknemer.
Samenvatting
In deze zaak bij het Gerechtshof Amsterdam staat centraal of een werknemer, die op staande voet was ontslagen door zijn werkgever, recht heeft op een transitievergoeding en een billijke vergoeding. De ongeldigheid van het ontslag op staande voet en de daarmee samenhangende gefixeerde schadevergoeding waren al in eerste aanleg vastgesteld en staan in hoger beroep niet meer ter discussie. De werkgever heeft in incidenteel hoger beroep aangevoerd dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door zijn werkgever in het ongewisse te laten over zijn terugkeer na een verblijf in het buitenland, door geen bewijs te leveren van verleende toestemming voor dat verblijf, en doordat hij kennelijk niet de intentie had zijn werk te hervatten. Op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW vervalt de transitievergoeding indien het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Artikel 7:673 lid 8 BW biedt echter een hardheidsclausule: zelfs bij ernstige verwijtbaarheid kan de rechter (een deel van) de transitievergoeding toekennen indien het niet toekennen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof stelt voorop dat deze uitzonderingsgrond terughoudend moet worden toegepast, conform vaste rechtspraak. De volledige beslissing van het hof is op basis van de beschikbare tekst niet kenbaar, zodat over de uiteindelijke uitkomst ten aanzien van de transitievergoeding (€ 20.388,90 bruto) en de billijke vergoeding onzekerheid bestaat. De zaak illustreert de spanning tussen werkgeversbelangen bij ernstig plichtverzuim en de wettelijke bescherming die werknemers genieten bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst.