Moeder hoeft alimentatie 2022-2024 niet terug te betalen
ECLI:NL:GHAMS:2026:2399, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 200.360.752/01 en 200.360.752/02
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Kinder- en partneralimentatie, verdiencapaciteit, ontslagvergoeding, terugbetalingsverplichting.
Kern van de zaak
Een vader en moeder zijn het beiden oneens met een rechtbankbeslissing over kinder- en partneralimentatie over meerdere jaren. De vader vecht de vastgestelde bedragen aan, terwijl de moeder wil voorkomen dat zij teveel ontvangen alimentatie moet terugbetalen. Het hof beoordeelt de terugbetalingsplicht en de hoogte van de alimentatie voor 2025-2026.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst de terugbetalingsplicht voor teveel ontvangen alimentatie over 2022-2024 af, maar verplicht de moeder wel tot terugbetaling over 2025 en 2026. Doorslaggevend is dat de moeder na 2022 een aanzienlijke inkomensterugval heeft gekend door gezondheidsproblemen en haar spaargeld met circa €80.000 is afgenomen, waardoor terugbetaling over de eerdere jaren niet van haar kan worden gevergd.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande vaste rechtspraak toe op een individuele alimentatiezaak en stelt geen nieuwe rechtsregels. De impact is beperkt tot de betrokken partijen, zonder richtinggevende betekenis voor bredere rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Bevoegdheid tot wijziging alimentatie met terugwerkende kracht vereist behoedzaam gebruik, zeker bij terugbetalingsverplichtingen voor de onderhoudsgerechtigde
- 2Moeder had de vader tijdig moeten informeren over haar hogere inkomen in 2022, maar dit weegt niet op tegen haar latere financiële situatie
- 3Inkomensterugval na 2022 en spaargeldafname van circa €80.000 in 2023 rechtvaardigen afzien van terugbetaling over 2022-2024
- 4Kinderalimentatie voor 2025 en 2026 wordt lager vastgesteld dan door de rechtbank bepaald
- 5Verzoek tot nihilstelling van partneralimentatie in 2025 wordt alsnog afgewezen
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste rechtspraak dat terugwerkende kracht bij alimentatiewijzigingen behoedzaam moet worden toegepast, waarbij de actuele financiële positie van de onderhoudsgerechtigde zwaar weegt. Het hof legt het incidenteel appel van de moeder ruim uit door haar verzoek te herleiden tot de kern: het ontbreken van een terugbetalingsplicht.
Praktische impact
De moeder hoeft aanzienlijke bedragen aan teveel ontvangen alimentatie over 2022-2024 niet terug te betalen, wat haar financiële positie beschermt gegeven haar verminderd inkomen en gedaald spaargeld. Voor 2025 en 2026 geldt wel een terugbetalingsverplichting en gelden lagere kinderalimentatiebedragen.
Onderwerp-impact
In familiezaken met wisselende inkomens van de onderhoudsgerechtigde benadrukt deze uitspraak dat terugbetalingsplichten individueel en naar billijkheid worden beoordeeld, met oog voor gezondheidsgerelateerde inkomensterugval.
Samenvatting
In deze alimentatiezaak bij het Gerechtshof Amsterdam strijden een vader en moeder over de hoogte van kinder- en partneralimentatie over meerdere jaren en over de vraag of de moeder teveel ontvangen alimentatie moet terugbetalen. De vader is in oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een rechterlijke beslissing, waarna ook de moeder incidenteel hoger beroep instelde. De moeder had in 2022 een significant hoger inkomen dan in andere jaren, maar stelde de vader hier niet tijdig van op de hoogte. Het hof overweegt dat dit op haar weg had gelegen, zodat eerder kon worden bezien of aanpassing van de alimentatie nodig was. Desondanks kent het hof doorslaggevende betekenis toe aan de omstandigheid dat de moeder na 2022 door gezondheidsproblemen een forse inkomensterugval heeft doorgemaakt. Haar inkomen in 2023 lag aanzienlijk lager dan in 2022, en haar spaargeld nam in dat jaar met circa €80.000 af. Op grond van de vaste rechtspraak dat de bevoegdheid tot wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht behoedzaam moet worden gebruikt — zeker wanneer dit een terugbetalingsverplichting voor de onderhoudsgerechtigde in het leven roept — oordeelt het hof dat van de moeder niet kan worden verlangd dat zij de over 2022 tot en met 2024 teveel ontvangen alimentatie terugbetaalt. Voor de jaren 2025 en 2026 geldt dit voorbehoud niet: de moeder moet de in die jaren teveel ontvangen bedragen wel terugbetalen. Verder stelt het hof de kinderalimentatie voor 2025 en 2026 lager vast dan de rechtbank had gedaan, en wijst het alsnog het verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie in 2025 af. De uitspraak illustreert hoe rechters bij terugbetalingskwesties in alimentatiezaken maatwerk leveren op basis van de actuele financiële positie van de ontvanger.