Hof bekrachtigt bewind dementerende vrouw ondanks bezwaar
ECLI:NL:GHAMS:2026:2396, Gerechtshof Amsterdam, 25-08-2026, 200.362.938/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bekrachtiging bestreden beschikking waarin het verzoek tot opheffing van het bewind is afgewezen.
Kern van de zaak
Een vrouw met dementie en wanen, verblijvend in een zorginstelling (Amsta), verzocht opheffing van het over haar vermogen ingestelde bewind. Zij had eerder een Wsnp-traject doorlopen maar opnieuw schulden opgebouwd van bijna €14.000. De bewindvoerder verzette zich tegen opheffing omdat de noodzaak onverminderd aanwezig was.
Beslissing van de rechter
Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt de beschikking van de eerste rechter en handhaaft het bewind. Doorslaggevend is dat betrokkene door haar dementie, verminderd ziekte-inzicht en executief disfunctioneren niet in staat is zelfstandig of met hulp haar financiën te beheren.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele beschikking in een standaard bewindszaak zonder precedentwerking; de rechtsvraag is feitelijk van aard en de toepassing van artikel 1:449 BW is routinematig.
Belangrijkste punten
- 1Betrokkene lijdt aan dementie en wanen en heeft een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf (Wlz-indicatie, opgenomen bij Amsta).
- 2Betrokkene heeft opnieuw schulden van bijna €14.000 opgebouwd na eerder Wsnp-traject en is zelf niet op de hoogte van deze schulden.
- 3De rechter sprak persoonlijk met betrokkene op haar verblijfslocatie; zij bleek geen zicht te hebben op haar financiële situatie.
- 4Opheffing van bewind is mogelijk op grond van artikel 1:449 lid 2 BW indien de noodzaak niet meer bestaat of voortzetting niet zinvol is gebleken.
- 5Het hof acht de noodzaak voor het bewind onverminderd aanwezig en wijst het verzoek tot opheffing af.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de maatstaf van artikel 1:449 lid 2 BW toe en bevestigt dat bij aantoonbaar ontbrekend financieel inzicht en cognitieve beperkingen de noodzaak voor bewind blijft bestaan, ook wanneer betrokkene in een gereguleerde zorgomgeving verblijft.
Praktische impact
De vrouw blijft onder bewind staan en heeft geen zelfstandige beschikking over haar vermogen; de bewindvoerder beheert haar financiën en zal de schulden moeten adresseren.
Onderwerp-impact
Voor zorginstelling-bewoners met cognitieve beperkingen bevestigt deze uitspraak dat een Wlz-opname op zichzelf geen reden is om bewind op te heffen als de financiële kwetsbaarheid voortduurt.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of het beschermingsbewind over de goederen van een dementerende vrouw diende te worden opgeheven. Betrokkene had voorheen samengewoond met haar zoon, waarbij hulpverlenende instanties en buren ernstige zorgen uitten over haar situatie. Zij doorliep in het verleden een Wsnp-traject maar had nadien opnieuw schulden van bijna €14.000 opgebouwd, ontstaan tussen 2021 en begin 2025. Sinds december 2025 verblijft zij op basis van een Wlz-indicatie bij zorginstelling Amsta, en in februari 2026 werd een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf afgegeven. Bij betrokkene is sprake van dementie, wanen, verminderd ziekte-inzicht, problemen met executief functioneren en initiatiefverlies. De betrokkene verzocht zelf opheffing van het bewind, daartoe geadviseerd door het buurtteam. De bewindvoerder verzette zich en achtte de noodzaak onverminderd aanwezig. Het Gerechtshof Amsterdam toetste het verzoek aan artikel 1:449 lid 2 BW, dat opheffing mogelijk maakt indien de noodzaak voor het bewind niet meer bestaat of voortzetting niet zinvol is gebleken. Na een persoonlijk gesprek van de voorzitter met betrokkene op haar verblijfslocatie stelde het hof vast dat zij geen enkel zicht heeft op haar financiën en niet op de hoogte is van haar schulden. Gelet op de aard en ernst van haar aandoening, het herhaalde patroon van schuldenopbouw en haar gebleken onvermogen om financiën zelfstandig of met hulp te beheren, acht het hof de noodzaak voor het bewind onverminderd aanwezig. Het hof bekrachtigt dan ook de bestreden beschikking en wijst het verzoek tot opheffing af. De uitspraak is een toepassing van gevestigde rechtsnormen op een individuele situatie en heeft geen bredere precedentwerking.