Voorlopige zorgregeling vader afgewezen wegens ernstig verstoorde ouderrelatie
ECLI:NL:GHAMS:2026:2273, Gerechtshof Amsterdam, 18-08-2026, 200.368.670/01
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing verzoek tot vaststelling voorlopige zorgregeling. Het hof kan nu niet vaststellen of omgang op veilige wijze kan plaatsvinden; afwachten raadsonderzoek is nodig. Artikel 223 Rv.
Kern van de zaak
Een vader verzoekt het hof een voorlopige zorgregeling vast te stellen met zijn in december 2025 geboren kind. De moeder verblijft met het kind in een asielzoekerscentrum en is in afwachting van haar asielprocedure. De ouders hebben sterk uiteenlopende verhalen en de verhoudingen tussen hen zijn ernstig verstoord.
Beslissing van de rechter
Het hof wijst het verzoek van de vader tot het vaststellen van een voorlopige zorgregeling (ex art. 223 Rv) af. De doorslaggevende reden is de ernstig verstoorde verhouding tussen de ouders, het onderlinge wantrouwen en de zorgen van meerdere instanties, waardoor het vaststellen van een voorlopige zorgregeling op dit moment niet opportuun wordt geacht.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische beslissing in een individuele familierechtelijke zaak zonder nieuwe rechtsvragen; de uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over art. 223 Rv en voorlopige zorgmaatregelen.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 223 Rv leent zich voor overeenkomstige toepassing in verzoekschriftprocedures; van de beslissing staat direct hoger beroep open (art. 337 lid 1 Rv).
- 2Het verzoek tot voorlopige zorgregeling hangt samen met de bodemprocedure bij de rechtbank, zodat aan het samenhangvereiste is voldaan.
- 3Meerdere instanties (IND, COA, politie, Veilig Thuis) hebben meldingen gedaan en zorgen geuit over de situatie tussen de ouders.
- 4De moeder en het kind verblijven in een AZC; de vader woont nog samen met zijn ex-partner en vijf kinderen en is zoekende naar zelfstandige woonruimte.
- 5De bodembeslissing over de definitieve zorgregeling is pro forma aangehouden tot 2 december 2026.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van art. 223 Rv in verzoekschriftprocedures voor voorlopige zorgmaatregelen en onderstreept dat een ernstig verstoorde ouderrelatie met institutionele zorgen een zwaarwegende belemmering vormt voor het treffen van een voorlopige zorgregeling.
Praktische impact
De vader krijgt vooralsnog geen geregeld contact met het kind via de rechter; de definitieve beslissing is uitgesteld tot december 2026, wat voor alle betrokkenen — waaronder het jonge kind — een periode van rechtsonzekerheid betekent.
Onderwerp-impact
In zaken waarbij een ouder in een asielprocedure verwikkeld is en het gezin in een AZC verblijft, toont deze uitspraak dat de combinatie van verblijfsonzekerheid en verstoorde verhoudingen extra drempels opwerpt voor het verkrijgen van een voorlopige zorgregeling.
Samenvatting
In deze zaak verzoekt een vader het Gerechtshof Amsterdam een voorlopige zorgregeling vast te stellen met zijn in december 2025 geboren kind, nadat de rechtbank dit verzoek had afgewezen. De moeder is afkomstig uit Mozambique, verblijft samen met haar moeder en het kind in een asielzoekerscentrum en is verwikkeld in een asielprocedure. De vader woont nog in bij zijn ex-partner en vijf kinderen en zoekt zelfstandige huisvesting. De verhalen van de ouders over hun relatie en de gebeurtenissen rondom de geboorte staan diametraal tegenover elkaar. Het hof stelt vast dat art. 223 Rv overeenkomstig van toepassing is in verzoekschriftprocedures en dat het verzoek voldoende samenhangt met de bodemprocedure bij de rechtbank, waar de zorgregeling eveneens onderwerp van geschil is. Toch wijst het hof het verzoek af. De verhouding tussen de ouders is ernstig verstoord en wordt gekenmerkt door diep wederzijds wantrouwen en onderlinge diskwalificatie. Bovendien hebben meerdere instanties — waaronder de IND, het COA, de politie en Veilig Thuis — meldingen gedaan en zorgen geuit over de situatie. Het hof acht het onder deze omstandigheden niet verantwoord om vooruitlopend op nader onderzoek een voorlopige zorgregeling op te leggen. De definitieve beslissing over de zorgregeling en de informatieregeling is pro forma aangehouden tot 2 december 2026. De uitspraak is niet richtinggevend maar illustreert hoe de rechter omgaat met voorlopige zorgverzoeken in complexe, belaste gezinssituaties waarbij ook verblijfsrechtelijke onzekerheid speelt.